Brian Freeman, “A basketball career is a tough thing to predict”

Lourdes is one of the most visited Catholic pilgrimage sites in the world, drawing almost six million people a year to southwestern France. Many come seeking healing in the springs or spiritual enlightenment in the small city made famous by reports of visions of the Virgin Mary.

It wasn’t exactly a miracle, but West Albany graduate Brian Freeman has also found what he was looking for in Lourdes: his basketball home. Freeman plays for Lourdes-Tarbes, a squad in the French professional leagues that represents the two cities, which are about 11 miles apart.

freeman1 He has played for the team for the past two seasons and his contract runs for another year. His agent is already working with the team on an extension and the 6-foot-9 center/forward hopes to stay much longer. Lourdes-Tarbes had a successful season in 2012-13 and will move up from the NM2 league to the NM1 league this season. The promotion means more prestige and higher competition.

“It’s fun, it’s exciting,” Freeman said of the team’s success. “That’s our goal, to get to the top league in the next couple of years. We want our team to advance.”

There are two higher leagues than NM1 in France, but Freeman said that’s a little bit deceiving when it comes to judging the level of competition. Even NM2 is a tougher league than the top leagues in other countries, such as the Netherlands.

Freeman, 26, has seen quite a bit of European basketball over the past several years. His journey began after his graduation from West Albany in 2004. He spent three seasons at Clackamas Community College, having to sit out one year because of a leg injury.

He finished his collegiate career at Long Beach State and then turned his eye to Europe.

He was familiar with that possibility because that is what his father had done. Gary Freeman played for Oregon State in the late 1960s and after a brief stint in the NBA kept his career going by playing in Europe. It was there that he met the Dutch woman would become Brian’s mother, Anneke.

Brian Freeman first joined a team in Poland. That turned out to not be a solid situation. By the end of the season the team was three months behind on its payroll, he said.

Even though it was time to come home for the summer, Freeman stayed.

“I didn’t leave until I had my money,” he recalled. “There were teammates owed $30,000 they didn’t end up getting.”

He left once he got paid and he didn’t go back. He joined a team in Holland for the next season and while the financial situation was better, the playing situation wasn’t. So he left the team at midseason with his career at a crossroads.

“I was getting a little discouraged at that point,” Freeman said.

But he caught on with a team in Austria and finished out the season on a positive note. “They needed a guy like me. It ended up being a good situation and reinspired me,” Freeman said.

It was then that he latched on with the team in Lourdes-Tarbes. He plays for a coach, Alex Casimiri, who was born in Oregon. The team’s system allows Freeman to use his skills as an inside and out big man.

“I have the European-style game. I can shoot, I can drive,” said Freeman, who averaged about seven assists a game last season, a surprising number for a player of his position.

Staying with one team has also allowed him to work on his language skills. He picked up a little Polish and a little German in his earlier stops, but didn’t get too far. His French, however, is improving and that makes his daily life much easier.

“I can’t express how nice it is to be able to say what you need to say,” Freeman said. He will return to France in mid-August. It’s a trip he hopes to make many more times, while also acknowledging how unpredictable life can be.

“A basketball career is a tough thing to predict,” Freeman said, “but I love my job.”

Theo Kinsbergen heeft de strijd nooit geschuwd

theo kinsbergen 2007De thans 82 jaar oude Theo Kinsbergen werd in de basketballkringen vaak een controversiële figuur genoemd. Toen hij voor het eerst voor het voetlicht trad als eigenaar/coach van Kinzo Amstelveen kreeg hij al spoedig het stempel opgeplakt ondeskundig te zijn. De Amsterdammer heeft zich dat nooit aangetrokken. Hij maakte zich nauwelijks druk om de insinuaties betreffende zijn persoon, hij kon er zelfs om lachen. In tegenstelling tot wat velen dachten had Theo Kinsbergen wel degelijk zijn sporen al verdient in het basketball. In de vijftiger jaren speelde hij bij AMVJ met welke ploeg hij enige keren kampioen van Nederland is geworden. Na zijn actieve spelers periode is hij ook nog enige tijd coach geweest bij deze club. “Dat zijn dingen die de meeste mensen niet wisten”, vertelde Kinsbergen.  “Net zoals niemand wist dat ik onderwijzer ben geweest”.

Onderwijzer, vertegenwoordiger en directeur

Als vertegenwoordiger probeerde Kinsbergen vroeger voor zijn baas wel eens een artikel te verkopen dat hij aan de straatstenen niet kwijt kon. Waarom? Omdat de concurrentie goedkoper was. Als hij dan wat ontmoedigd op kantoor terugkeerde, bleek zijn baas vreemd genoeg laaiend enthousiast. Die riep glunderend uit: „De concurrentie goedkoper? Prachtig! Prachtig! Dat is strijd, dat is uitdaging. We gaan er nu helemaal met volle stoom tegenaan”. Die filosofie over het zakendoen is Theo Kinsbergen altijd bijgebleven.

Hij werd directeur van een florerende onderneming met een jaaromzet van vijftig miljoen gulden en hij denkt nog altijd met respect aan de woorden van zijn vroegere baas terug, als een concurrent een order voor z’n neus probeerde weg te kapen. Theo Kinsbergen heeft de strijd nooit geschuwd. Die karaktereigenschap typeert niet alleen zijn succesvolle zakencarrière, maar ook zijn rol in de sportwereld, waarin hij als sponsor-coach de Amstelveense basketbalclub Kinzo naar twee landskampioenschappen leidde. Theo Kinsbergen wilde altijd winnen. En hoewel dat uiteraard niet altijd lukte, huldigde hij het principe: „Ik laat me niet uit het veld slaan. Ik ga er eenvoudig vanuit, dat ik beter ben dan een ander of minstens even goed”. Dat is echt geen opschepperij, maar een manier om jezelf te motiveren. Noem het een vorm van zelfovertuiging”.

Sport en zakendoen is overigens een ideale combinatie, volgens Kinsbergen, die samen met broer Martin  het bedrijf Kinzo runde. „Zakendoen is namelijk ook sport. Een geslaagde transactie geeft net zoveel voldoening als een overwinning met het basketbalteam. En dat moet je los zien van de materiële winst. Want veel geld verdienen heeft ook een flink aantal negatieve effecten. Als het je zakelijk voor de wind gaat, word je door je omgeving voortdurend belaagd met kreten in de trant van: „Dat kan jij gemakkelijk zeggen, want jij hebt toch genoeg geld”. Om nog maar niet te praten van de kinderen, die om de haverklap van hun vriendjes moeten horen: „Jouw vader is een rijke stinkerd”.

Ik kan niet zeggen, dat ik me gelukkiger voelde dan in de tijd dat ik als onderwijzer tweehonderdnegentig gulden schoon in de maand verdiende. Ik vind, dat ik dezelfde doodgewone jongen ben gebleven. Want laten we eerlijk zijn: “Wat is nou poen op de bank? Dat is een getikt getal op een papiertje”.

Tweehonderdnegentig gulden schoon in de maand als onderwijzer, zo startte Theo Kinsbergen zijn wonderlijke carrière. Hij voelde zich aangetrokken tot het onderwijs, omdat hij zelf zo’n leuke schooltijd had gehad. Maar zijn eerste ervaringen voor de klas op een lagere school in de Amsterdamse wijk Kattenburg beantwoordden helemaal niet aan het ideaal. Theo kwam in conflict met de hoofdonderwijzer, die er een gewoonte van maakte om kinderen te mishandelen. Toen „meester” Kinsbergen hem te verstaan gaf „maar van mijn kinderen blijf je met je handen af”, kreeg hij niet lang daarna de aanzegging, dat zijn dienstverband bij deze school was beëindigd.

De Comeniusschool in de Amsterdamse Kinkerbuurt werd zijn volgende station. „Leuke, openhartige kinderen, maar verder een verwaarloosde troep en ongelooflijk luie collega’s, wier terminologie voornamelijk bestond uit: hé, de kop van de week is eraf” en „nog drie weken, dan is het eindelijk weer vakantie”. Kinsbergen verdiende intussen 390 gulden schoon in de maand, had zes weken vakantie, maar bracht die tijd bij gebrek aan voldoende middelen wandelend achter de kinderwagen in het Vondelpark door.

Zijn vader was vertegenwoordiger in gereedschap en toen die een keer bezoek kreeg van een grossier, die zei: „Ik zoek een vertegenwoordiger, die nergens verstand van hoeft te hebben, als hij maar éérlijk is”, merkte Theo gretig op: „Nou, dat wil ik dan wel proberen”. Ex-onderwijzer Kinsbergen met grote koffers vol schroevedraaiers, steek- en ringsleutels op stap. Een vreemde omschakeling: „Als ik om vijf uur nog bij een klant stond, dacht ik wel eens: „Als ik onderwijzer was gebleven, was ik nu al thuis. .

Kinzo vestiging te Ede

Kinzo vestiging te Ede

Theo werd later vertegenwoordiger bij een groothandel, maar toen zijn vader een zelfstandig bedrijfje stichtte stapte hij samen met broer Martin bij pa in de zaak. Na de pensionering van Kinsbergen senior, verlegden de zoons meer en meer de grenzen. Zakenreizen naar het Verre Oosten en lucratieve contracten afsluiten. Het bedrijfje, dat inmiddels naar de naam KINZO (naar Kinsbergen en Zonen) luisterde, maakte een reusachtige opgang en groeide uit tot een internationale zaak met leveranties aan vele Europese landen.

Theo's racemonster - Foto: Jan Borsboom

Theo’s racemonster – Foto: Jan Borsboom

Maar de sport bleef  Theo boeien. Hij had furore gemaakt als autocoureur in de toerwagenklasse op het circuit van Zandvoort en had al eens de titel kampioen van Nederland in de categorie „Sportcars” veroverd.

„Die snelheid, de pure snelheid, gaf me een geweldige kick. In zo’n race komt er een eigenaardig gelukzalig gevoel over je, dat gewoon niet te definiëren is”, vertelde hij eens. „In die tijd heb ik ook ervaren, dat begrippen als „geluk” en „pech” erg betrekkelijk zijn. Ik geloof er ook niet zo erg in. „Pech” is meestal je eigen schuld. Het betekent, dat je je nog beter had moeten voorbereiden op een race. En zo is het ook vaak in het zakenleven. „Pech en geluk” zijn facetten, die je zelf voor een zeer belangrijk deel in de hand hebt.”  Zo benaderde Theo Kinsbergen ook zijn grote passie: de basketballsport.

Sponsoren

200430635-001Theo Kinsbergen ging sponsoren louter en alleen om de publiciteit. Basketball kreeg na het voetbal, in de jaren ’70 en ’80 de meeste tv-tijd, de grootste koppen in de kranten en het meeste publiek. Als hij was gaan sponsoren als een soort hobby, had Kinsbergen niet voor het basketball gekozen maar voor de autosport. De autosport heeft hem altijd meer getrokken, omdat hij zelf jarenlang heeft geraced en het had ook meer met de produkten te maken welke zijn bedrijf verkocht.

Hij blijft erbij dat hij nooit veel geld in Kinzo Amstelveen heeft gestoken. In ruil voor een som geld heeft hij het eerste team gekregen. Theo vertelde hierover: “Bij de andere clubs geeft een sponsor een x-bedrag aan de club, en dan mogen ze hopen dat het geld goed besteed wordt. Ik hoefde geen rekening te houden met voorzitters en andere gewichtdoeners, die alleen maar geschikt zijn om geen, of verkeerde beslissingen te nemen. Veel van die bestuursleden lijken op onderwijzers die geen orde in hun klas kunnen houden.

„Het is onmogelijk om geweldige prestaties te leveren’ met mensen die daartoe de capaciteiten niet hebben. Je zal moeten beginnen een ploeg’ bijeen te zoeken van spelers die de mogelijkheden hebben, topbasketball te spelen.

Daarna kan je aan de opbouw van een kampioensteam gaan beginnen. Dat is tenminste mijn visie op de zaak. Vanaf de eerste dag dat we met sponsoring begonnen was de opzet om kampioen te willen worden. Zonder prestaties geen publiciteit. Maar het zoeken naar de juiste ploeg heeft drie jaar geduurd.

„Mij werd vaak voor de voeten gegooid, dat mijn aanpak voor het Nederlandse basketball funest zou zijn. Tegen Janbroers (coach van Remington) en Massaro (voorzitter Buitoni) heb ik destijds gezegd, toen zij mij hierop aanvielen: O.K. heren, jullie zijn bang dat ik jullie spelers wegkoop. Ik zal ze niets meer bieden, ik zal mijn spelers wel uit Amerika halen”.

Einde van deel 1

Bob Heuts: De ‘Blonde Pijl’ van BS Leiden


Bob Heuts

De Nederlandse-Amerikaan Bob Heuts speelde slechts twee seizoenen in Nederland. Hij kwam uit voor BS Leiden, hoewel Levi’s Flamingo’s hem ontdekt had. De Haarlemmers kozen uiteindelijk voor Eric Dompeling. Heuts maakte vooral in zijn eerste jaar veel indruk.

Ondanks een aantal schorsingen wilde bijna ieder eredivisieteam hem graag inlijven. Heuts koos echter – mede op aandringen van zijn vrouw – voor een terugkeer naar Amerika om daar te werken aan zijn maatschappelijke carrière.

Indonesië, Nederland en Amerika

De voormalige aanvoerder en het ‘gezicht’ van BS Leiden werd geboren in Indonesië , maar verhuisde al vroeg met zijn ouders naar Amsterdam. Gedurende zeven jaar verbleef het gezin in Nederland, waarna men naar Chicago vertrok, om later zich te vestigen in North Carolina. Heuts hierover: “Als je gewend bent aan Indonesië, dan is Nederland heel klein. Daar was zoveel ruimte. Hier woon je op elkaar. Mijn ouders wilden wel eens zien hoe het er in Amerika uit zag.”

Heuts ging naar school, leerde snel de taal en paste zich vrij gemakkelijk aan aan het Amerikaanse leven. Daarmee was onverbrekelijk het basketball verbonden. Op High School kon Heuts er – hij was toen al 1 meter 98 – dan ook niet onderuit. Basketball werd zijn sport. Dat ging overigens niet zo snel – in het begin had hij weinig interesse in de sport – maar toen hij moest invallen bij een hoger team werd hij gegrepen door het spelletje.

Daarna voltrok zijn carrière zich in een hogere versnelling. In zijn derde jaar speelde Heuts in plaats van in het junior team al in het varsity team. Heuts kon kiezen uit verschillende colleges, maar zijn voorkeur ging uit naar North Carolina State University in Raleigh.

Van Links naar rechts: Bob Heuts, Mike Gillespie, Rick Holdt, Mark Balbach, Bill Benson en freshman coach Eddie Biedenbach

Van Links naar rechts: Bob Heuts, Mike Gillespie, Rick Holdt, Mark Balbach, Bill Benson en freshman coach Eddie Biedenbach

North Carolina State

Vanaf het begin kreeg hij redelijk veel speeltijd. Heuts trainde in de zomer keihard door. Dit vertaalde zich in een basisplaats in zijn sophomore jaar. In september 1971 werd Heuts samen met ploeggenoot Paul Coder gearresteerd in een park vlak bij de campus omdat de agenten een verdacht zakje zagen liggen in hun auto. Het bleek om vijf ons marihuana te gaan. De twee spelers besloten zich terug te trekken uit het basketballteam om de schade voor de universiteit zo klein mogelijk te houden. Coach Norman Sloan hulde zich in stilzwijgen. De rechter oordeelde in januari 1972 dat beide spelers vrijuit gingen omdat het een illegale actie van de plaatselijke politie betrof. De 20-jarige Heuts en Coder mochten weer terugkomen  in het team van coach Sloan en Heuts behield zijn positie als starter bij North Carolina State. Hij zou in 1973 met succes afstuderen.

Bob Heuts bij North Carolina State

Bob Heuts bij North Carolina State

BS Leiden

BS Leiden verraste in de zomer van 1973 met de aankondiging dat ze een Amerikaan met een Nederlands paspoort hadden aangetrokken: Bob Heuts. In eerste instantie had Levi’s Flamingo’s Bob Heuts op de korrel, maar de Haarlemmers lieten Heuts lopen omdat hij Amerikaan zou zijn. De Leidse belangstelling was voor Bob Heuts een mooie kans om terug te komen naar Nederland. hij had hier nog veel familie wonen, die hij zodoende weer kon bezoeken.

Een dunk van Bob Heuts voor BS Leiden

Een dunk van Bob Heuts voor BS Leiden

In korte tijd wist hij de harten te veroveren van de Leidse fans door zijn fabelachtige inzet. Om die inzet, om zijn karakter en niet in het minst om zijn uitstekende spel – hij kon schieten, rebounden, het spel verdelen en was verdedigend ijzersterk – behoorde hij al snel tot de betere spelers in de eredivisie. Bij Leiden werd hij onder coach Rob de Wit direct aanvoerder van het team.

In december ging hij even terug naar Amerika om te trouwen. Met de jaarwisseling was hij met zijn kersverse bruid Cindy terug in Leiden waar hij een woning had in de Merenwijk. In januari betrokken ze een woning in Noordwijk. Cindy Heuts zette zich direct enthousiast in om een aantal jonge meisjes op te leiden als cheerleaders voor de thuiswedstrijden van Leiden.

In maart 1974 werd Bob Heuts van het veld gestuurd omdat hij tijdens de wedstrijd BS Leiden – Raak Punch Eric van Woerkom een klap in het gezicht zou hebben verkocht. In april kwam de uitspraak  van de NBB. Heuts werd geschorst voor acht wedstrijden en kreeg ook nog eens acht wedstrijden voorwaardelijk. Daarnaast moest hij zijn aanvoerderschap neerleggen. Leiden ging direct in beroep tegen de uitspraak. Heuts besloot zich terug te trekken uit de selectie van het Nederlands team, niet alleen omdat hij verbolgen was over de schorsing maar ook omdat hij bang was zijn Amerikaanse nationaliteit te verliezen.

Hij sloot het seizoen af als derde op de topscorerslijst en had de meeste assists en steals in de competitie. Hij werd gekozen in het ‘All Defense Team’.

Gelukkig voor Heuts en Leiden werd de straf gehalveerd. Toch zou hij bij de start van het nieuwe seizoen eerst zijn schorsing moeten uitzitten. De marktwaarde van Heuts daalde door dit voorval niet. Levi’s Flamingo’s, Raak Punch, Transol RZ, Kinzo en Sperry Remington boden veel geld voor een transfer van Heuts. Toch bleef hij Leiden trouw onder meer door de goede verstandhouding die hij had met het bestuur.

Bob Heuts schiet in de wedstrijd tegen Frisol

Bob Heuts schiet in de wedstrijd tegen Frisol

Het seizoen 1974-1975 begon voor Heuts met die vier wedstrijden schorsing. Zijn terugkeer in de ploeg werd gevierd met een historische zege op Levi’s Flamingo’s. Toch liep het minder goed. Heuts speelde vaak gevaarlijk agressief  en was zoekende naar zijn oude topvorm. Tijdens het kersttoernooi van Gerard de Lange liep Heuts tegen een tweede schorsing op na opmerkingen tegen scheidsrechter Van Dishoek. Het werd één wedstrijd plus de vier resterende voorwaardelijke wedstrijden die nog op zijn lijst stonden.

Zo moest BS Leiden aan de strijd in de kampioenspoule beginnen zonder hun ‘motor’ Bob Heuts. Dit kostte Leiden zeker een aantal overwinningen. Pas toen Heuts weer in zijn oude doen was, kon Leiden zodanig vlammen dat een opmerkelijk eindsprint mogelijk werd. Tot vlak voor zijn vertrek bepaalde Heuts op die manier het ‘gezicht’ van BS Leiden.

Bob Heuts speelde zijn laatste wedstrijd tegen Transol RZ. Met 26 punten nam hij afscheid van Leiden en Nederland. De Leidsche club had zijn vertrek niet aangekondigd, dus vertrok de ‘blonde pijl’ van BS Leiden met stille trom.

Terug naar de States

Lang bestond er twijfel of Heuts er nog een jaartje aan vast zou plakken, maar Heuts hakte de knoop voor zijn laatste wedstrijd definitief door. Bij die beslissing speelde de stem van zijn vrouw Cindy – van wie bekend was, dat ze het in Nederland niet naar haar zin had – een belangrijke rol. Ook jammer voor Theo Kinsbergen (Kinzo) en Jan Massaro (Buitoni) die tot het laatste moment probeerden Bob Heuts in te lijven.

Heuts keerde terug naar North Carolina en ging op de tabaksplantage van zijn schoonvader in Franklin County werken. In de weekeinden coachte hij een jeugdteam. Uit angst voor de veranderingen die zouden komen in de tabaksteelt, besloot Heuts echter carrière te maken in de publieke sector.

Na negentien jaar even terug in Nederland

Negentien jaar lang zag Heuts geen kans om Nederland te bezoeken, maar in april 1994 kwam hij even weer terug. Het duurde zo lang omdat zijn kinderen te klein waren en hij het te druk had met zijn werk. De ware reden van het bezoek was dat hij zijn kinderen wilde laten zien hoe de Nederlanders leven. Daarom geen toeristische attracties maar het bezoeken van familie en oude vrienden; en verder de kinderen kennis  laten maken met de cultuur en geschiedenis van Nederland. Want, zo liet Heuts weten: “in tegenstelling tot Amerika hebben we hier toch met een lange geschiedenis te maken.”

Verder  verloop van zijn carrière

Zijn verdere carrière bracht hem naar Lee County, waar hij als directeur van Lee County Economic Development Corporation aan de slag ging. Heuts werkte zowel in de private als de publieke sector,  met als doel zoveel mogelijk business en industrie aan te trekken om de werkgelegenheid te verhogen in Lee County. Dat lukte ondermeer met Caterpillar, Coty en 3M.

In augustus 2012 besloot hij dat het tijd was om met pensioen te gaan, na 16 jaar werkzaam geweest te zijn voor Lee County, maar in november 2012 kwam hij daar op terug nadat hij na wat aandringen besloot het aanbod van het naburige Beaufort County aan te nemen om voor deze county de economische ontwikkelingen aan te sturen als directeur van de Beaufort County Economic Development Commission.

Still playing the game

In de zomer van 2011 won Bob Heuts de zilveren basketballmedaille  in de 2011 Summer National Senior Games, die werden gehouden in Houston, Texas. Hij speelde toen in de categorie van 60 tot 64 jarigen, welke bestond uit 23 teams afkomstig uit de gehele Verenigde Staten.  Heuts en zijn maten hadden voordien het ‘State’ kampioenschap van North Carolina gewonnen.

Van links naar rechts: Bob Heuts, Al Faber, Lin Green, Arnold Nicholson en Jim Groves.

Van links naar rechts: Bob Heuts, Al Faber, Lin Green, Arnold Nicholson en Jim Groves.

Zijn team ‘Land of  Waterfalls’ bestond uit Arnold Nicholson, Jay Norris, Lin Green, Jim Groves en ….. een oude bekende, ons aller Al Faber, de noeste werker van weleer. Volgens Heuts en Faber hadden ze bijna het goud gewonnen, maar een buzzerbeater in de verlenging bezorgde een team uit Missouri de titel.

Bronnen: Archief Leidsch Dagblad, Dagblad De Tijd, The Washington Dailynews en The Sanford Herald

De eerste Nederlandse club actief op een Europees podium


Nice 1947:DED tegen Sainte Maria la Gulllotlère 13-41. Nummer 3 Jan Aldenberg en links Berkhout tegen de Fransman Coueriot

Nice 1947:DED tegen Sainte Maria la Gulllotlère 13-41. Nummer 3 Jan Aldenberg en links Berkhout tegen de Fransman Coueriot

DED Amsterdam was de eerste Nederlandse club die in 1947 acte de presence mocht geven op een groot internationaal toernooi, waaraan ook een aantal Europese topploegen deelnam. Er werd in de jaren veertig en vijftig nog geen Europa Cup georganiseerd. Die kwam pas in 1958. Deze internationale toernooien mogen dan ook worden gezien als de voorlopers van de latere Europa Cups.

Nadat het Nederlandse Heren team bij de Europese kampioenschappen van 1946 in Genève een goede indruk had achtergelaten – Nederland reikte tot de zesde plaats – werd de  kersverse Nederlandse kampioen DED uitgenodigd deel te nemen aan internationale wedstrijden in Nice. Acht landen waren hier vertegenwoordigd.

De club DED

Het clublogo van DED

Het clublogo van DED

De ‘Koninklijke’ DED werd in 1909 opgericht als korfbalvereniging. Als tenue werd gekozen voor een wit shirt en een zwarte broek: “Dit zijn de kleedingsonderdeelen die eenieder, rijk dan wel arm in den kast heeft liggen”.

De clubnaam is een afkorting van ‘De Eerste Driejarige’, een HBS-school die door de mannen van het eerste uur werd bezocht. Een aantal jaren vóór de Tweede Wereldoorlog kreeg de club een afdeling die zich op basketball ging richten. Tot dat moment beoefende alleen AMVJ die sport. DED is dus de op één na oudste basketballvereniging van Nederland.

DED had veel succes in de jaren veertig en vijftig. Ze wonnen in 1938 de door een Amsterdamse Basketball Commissie georganiseerde competitie (de eerste in Nederland). Daarna volgde in 1946 een kampioenschap in de ABB (de Amsterdamse Basketball Bond), waarna de club de Nederlandse titel binnenhaalde. Om het kampioenschap werd destijds nog in toernooivorm gespeeld.

DED ging verder met het verzamelen van kampioenschappen in de in 1947 opgerichte NBB. Het lukte DED om maar liefst acht maal het landskampioenschap binnen te halen; de laatste titel in het seizoen 1957-1958. Lange tijd was er geen club die zoveel titels voor zich had opgeëist.

In het seizoen 1973-1974 baarde de club opzien, omdat er zonder sponsor en zonder Amerikanen in de ere-divisie werd gespeeld. Volgens DED-coryfee Dick Rengers: “Die laatste jaren in de hoogste klasse waren echt het summum. Sponsors vonden wij kapitalistische onzin en we wilden bewijzen dat we goed genoeg waren om de buitenlandse sterren te trotseren.”

Het was overigens ook een tijd waarin nieuwe leden alleen werden toegelaten als ze met behulp van een test konden aantonen dat ze het socialisme een warm hart toedroegen.

DED leverde veel internationals, onder anderen Henk en Jan Aldenberg, Wim Kunnen, Berkhout, Freek en Cor Brandt, Cupido, De Jonge, Piet Ouderland, Ton Boot en Jan Sikking. Verder speelden er coryfeeën als Hennie Blom en Mart Smeets.

Het toernooi te Nice 1947

DED op het toernooi te Nice 1947 Staand van links naar rechts H. Aldenberg, W.van Someren, J. Aldenberg, E. Bakker, Heythekker – gehurkt C. Brandt, F. Brandt, Berkhout, W. Kunnen en B. Brandt

DED op het toernooi te Nice 1947 Staand van links naar rechts H. Aldenberg, W.van Someren, J. Aldenberg, E. Bakker, Heythekker – gehurkt C. Brandt, F. Brandt, Berkhout, W. Kunnen en B. Brandt

Ditmaal zwoegden er geen wielrenners door de straten van Nice maar bestreden de beste basketballers van Europa elkaar in het grootste en sterkste toernooi van Europa. Het toernooi werd gehouden in de open lucht met op de achtergrond de stranden van de Middellandse Zee.

De deelnemende teams waren: de Franse clubs Sainte Maria la Guillotlière en A.S. Monaco, het Italiaanse Virtus  Bologna, uit België Les Semailles de Bruxelles, de Zwitserse ploeg van Club Athlétique de Genève, Dolobran Athletique Club uit Engeland, Oost Europa was vertegenwoordigd door het Tsjechoslowaakse Sparta Praag en de Nederlandse kampioen het Amsterdamse DED.

DED zou in dit veld als zevende eindigen. Dat lijkt misschien weinig eervol maar de DED-ers hadden toch een goede indruk achtergelaten. Vooral in de eerste wedstrijd tegen het Franse topteam Sainte Maria la Guillotlière trokken de Amsterdammers goed van leer. Na aanvankelijk met 4-0 te hebben achtergestaan, wist DED terug te komen tot 8-8. De Fransen moesten alle zeilen bij zetten om bij de rust een 13-8 voorsprong te verkrijgen. Na de rust konden de Amsterdammers het tempo van de Fransen niet meer bijhouden en moesten dan ook met een 41-13 nederlaag het veld ruimen.

Toch hadden de DED-ers lering getrokken uit deze wedstrijd. Men ging zoals al de andere ploegen een zone-verdediging toepassen. In Nederland werd er in die tijd alleen man-to-man gespeeld. Wel werd van het Belgische Les Semailles de Bruxelles en het Franse A.S. Monaco verloren, doch het lukte DED beide ploegen onder de twintig punten te houden.

Henk Aldenberg vertelde: “Het Franse Sainte Maria la Guillotlière verraste ons met een prima spelletje, wat te vergelijken was met het superieure spel, dat wij vaak hebben gezien van de Amerikaanse militairen in ons land. St. Maria zou dan ook in de Amerikaanse competitie geen gek figuur slaan.”

Eindstanden
Poule A:
1. Sainte Maria la Guillotlière
2. Les Semailles de Bruxelles
3. A.S. Monaco
4. DED Amsterdam

Poule B:
1. Virtus Bologna
2. Sparta Praag
3. Club Athlétique de Genève
4. Dolobran Athletique Club.

Sainte Maria la Guillotlière en Virtus Bologna speelden de finale. De Italianen waren lang niet opgewassen tegen de Franse ploeg en verloren derhalve met 32-11 (rust 16-0). Doordat het Belgische Les Semailles de Bruxelles en de Tsjechen van Sparta Praag in hun poule de tweede plaats bezetten, moesten deze teams om de derde prijs spelen. Na een spannende wedstrijd trokken de Spartanen uit Praag aan het langste eind.

Hierna traden Club Athlétique de Genève uit Zwitserland en het Franse team van Monaco in het veld om uit te maken wie de vijfde zou bezetten. Dankzij de Franse scheidsrechters werd Monaco winnaar, daar het op een kritiek moment – toen de Zwitsers met één punt voorsprong de leiding hadden – drie vrije worpen ten onrechte toegewezen kreeg, die alle drie werden benut. Hierdoor werden de Zwitsers gedupeerd en uit hun spel gebracht. De 38-31 zege van de  Fransen is hiermee verklaard.

De laatste wedstrijd tussen het Engelse Dolobran Athletique Club en de Nederlandse ploeg van DED werd door DED met 25-21 gewonnen, nadat de Amsterdammers de rust ingingen met een 9-8 voorsprong.

Henk Aldenberg blikte nog even terug : “We hebben hier echt veel kunnen leren en zullen ook in Holland de zone-defence moeten gaan spelen, anders zullen de talenten die we hebben, zich nooit tot dit internationale peil kunnen opwerken. In de zone-defence ligt de toekomst van het Nederlandse basketball.”

Tot slot de uitslagen van de gespeelde wedstrijden.
Finale: Sainte Maria la Guillotlière -Virtus Bologna 32-11
Om de derde plaats: Sparta Praag – Les Semailles de Bruxelles 20-17
Om de vijfde plaats: A.S. Monaco – Club Athlétique de Genève 38-31
Om de zevende plaats: DED Amsterdam – Dolobran Athletique Club 25-21

Bronnen: Dagblad De Waarheid, De Tijd en de Telegraaf

Van militaire sportschool tot Nederlandse basketballbond


Kapitein W.P. Hubert van Bleijenburgh, de man die als eerste basketball in Nederland introduceerde

Kapitein W.P. Hubert van Bleijenburgh, de man die als eerste basketball in Nederland introduceerde

Een terugblik op het ontstaan van het basketball in Nederland. In 1926 introduceerde de toenmalige kapitein W.P. Hubert van Bleijenburgh deze nieuwe sport op de  Militaire Sport- en Gymnastiekschool te Utrecht. Het was luitenant H. Th. Rooswinkel die wel wat zag in deze nieuwe sport. Rooswinkel haalde als algemeen sportleider van A.M.V.J.  de Engelsman Lew Lake van het Londens Y.M.C.A. in 1929 naar Amsterdam, om de korfballers van A.M.V.J. en later de andere korfbalclubs in deze sport te onderrichten. In korte tijd wist het basketball een vaste voet aan de grond te krijgen in Amsterdam en omgeving.

Hoe is het allemaal begonnen?

Dr. W.P. Hubert van Bleijenburgh (1881-1936) , die op de Amerikaanse universiteit van Springfield niet alleen promoveerde  op ‘A critical study of Swedish Gymnastics’ en zich daarmee ‘Master of Physical Education’ mocht noemen, kwam er tevens in aanraking met de basketballsport. In 1926 nam hij het daar in 1891 door James Naismith ontworpen basketballspel mee naar Nederland. Hij besloot – toen hij tot directeur van de Militaire Sport- en Gymnastiekschool te Utrecht werd benoemd – ook zijn leerlingen kennis met deze voor Nederland volkomen onbekende sport te laten maken.

Het werd geen ‘serieuze’ poging om basketball tot een nationale sport te maken. De officieren, die in Utrecht ‘cursus liepen’, beschouwden het in die jaren meer als een gezellig onderonsje. Behalve luitenant H. Th. Rooswinkel. Hij zag werkelijk toekomst voor basketball in Nederland.

Luitenant H. Th. Rooswinkel

Luitenant H. Th. Rooswinkel

Opdracht

Omstreeks 1928 wilde Rooswinkel de sport verder populariseren. Zijn benoeming tot algemeen sportleider van de A.M.V.J. (Algemene Maatschappij Voor Jongeren) was aanstaande en in dat verband pleegde Rooswinkel overleg met het AMVJ-bestuur of hij in Engeland niet eens wat meer van basketball mocht gaan opsteken. Rooswinkel kreeg de opdracht en vertrok richting Londen. Geruime tijd heeft hij in een Londens YMCA-gebouw het spel zien spelen zoals het gespeeld dient te worden. Later namen zijn assistent Dick Schmüll en sportleraar Joop van Driel zijn pionierswerk over.

Toen had basketball zich door de komst van de Engelse trainer Lew Lake al een vaste plaats veroverd in de Amsterdamse sportgemeenschap. Daarnaast hadden de ook in ons land woonachtige Amerikaanse Mormonen hun steentje bijgedragen aan het verspreiden van de basketballsport.

Helemaal links: Rooswinkel, de man die basketball in Nederland verder bracht. Zittend de spelers van het eerste uur van AMVJ

Helemaal links: Rooswinkel, de man die basketball in Nederland verder bracht. Zittend de spelers van het eerste uur van AMVJ, staand de mannen van de YMCA

Er kwamen naast A.M.V.J. meer verenigingen, zoals D.T.V. (De Tweede Vijf), Rohda en D.E.D. (De Eerste Drie). In 1933 vond de eerste – zij het nog zeer bescheiden – competitie plaats. Deze competities werden georganiseerd door de A.M.V.J. Daarnaast werden er regelmatig toernooien georganiseerd om de sport populairder te maken.

Van een “basketballbond” had men toen nog nimmer gehoord. Ook het toen gespeelde basketball had niet veel weg van de wijze zoals het heden ten dage wordt gespeeld. Het leek veel eerder op een voor zalen geschikt gemaakte partijtje korfbal.

Amsterdamse Basketball Commissie

A.M.V.J. en een aantal andere clubs besloten samen een soort van commissie in het leven te roepen om een competitie af te wikkelen. Op 9 november 1938 ging de eerste Amsterdamse competitie van start in de Apollohal, deze werd georganiseerd door de in het leven geroepen Amsterdamse Basketball Commissie.  D.E.D. werd de eerste kampioen van de nieuwe Amsterdamse basketball competitie.

Eerste basketballwedstrijd in Nederland (1930)

Eerste basketballwedstrijd in Nederland (1930)

Eindstand:
1. D.E.D. 14-27
2. Lakonians 14-23
3. D.V.D. 14-18
4. A.M.V.J. 14-14
5. Amsterdam Zuid 14-10
6. Mormons (Amerikaanse studenten) 14-9
7. Blauw Wit 14-6
8. D.T.V. 14-5

In september 1939 ondervond de commissie problemen om de wedstrijden te organiseren in de Apollohal. Niettegenstaande de grote moeilijkheden, waarmee de Basketball-commissie voor het begin van het nieuwe seizoen te kampen had, slaagde de commissie erin de competitie volledig te laten verspelen.  De Apollohal bleek voor de vorige competitie een zeer geschikte gelegenheid, een ruimte, waar men vijf velden kon uitleggen. Maar de Apollohal zou niet meer voor basketball beschikbaar zijn, in verband met een verbouwing voor het ijshockey. Daarom verplaatste de Basketballcommissie de competitie naar de grote zaal van het A.M.V.J–gebouw. D.E.D. en de Lakonians pakten de titels in 1940 en 1941.

1941: de wedstrijd tussen Lakonians en DVD II

1941: de wedstrijd tussen Lakonians en DVD II

Geslaagd

Het werd het begin van een geslaagde , georganiseerde ontwikkeling, die zich aanvankelijk nog steeds tot Amsterdam beperkte. De oorlogsjaren konden aan deze opgang niets veranderen. Er werd tot 1943 doorgespeeld. De eerste maanden na de oorlog brachten een verwarde situatie, die pas haar einde vond op 18 juni 1945. Op die dag vond de eerste jaarvergadering van de Amsterdamse Basketball Bond plaats en hernam het georganiseerde competitiebestel zijn oude gang. Omdat echter ook in andere delen van ons land de behoefte aan dergelijke competities begon te bestaan, werd in 1947 de Nederlandse Basketball Bond opgericht. Mede door georganiseerde kader-bijeenkomsten steeg het nog altijd vrij lage spelpeil binnen enkele jaren tot een dergelijk niveau, dat internationale wedstrijden mogelijk werden. Al bleven de uitslagen vooral in de eerste jaren van de oprichting bepaald bedroevend; de stijgende lijn zat erin!

Chronologisch Overzicht 1926-1947

1926: Hubert van Bleijenburgh introduceert het basketball op de Militaire Sport- en Gymnastiekschool te Utrecht

1928: H. Th. Rooswinkel wordt sportleider van het A.M.V.J. en laat Amsterdam kennis maken met het basketball

1929: De Engelsman Lew Lake komt een aantal weken naar Amsterdam om les te geven in het basketball

1930: Eerste ontmoeting tussen A.M.V.J. en Y.M.C.A. (Londen): 6-18. Spelers A.M.V.J.: Meyer, Gerth, Looyse, Madsen en Schots. Basketball wordt een nieuwe tak van sport bij A.M.V.J.

1931: A.M.V.J. gaat naar Engeland voor het spelen van een aantal oefenwedstrijden.

1932: Een korfbalselectie wint het eerste AMVJ-toernooi door in de finale K.V.D. met 22-8 opzij te zetten.

Het eerste “Internationale basketball toernooi” in Nederland, georganiseerd door A.M.V.J. en het Engelse Y.M.C.A. De eindstand werd: 1. Olympique Lille (Fra), 2. Centymca (Eng), 3. NL korfbalselectie, 4. Brussel (Bel) en 5. A.M.V.J.

Dhr. Dick Schmüll neemt het roer over van H. Th. Rooswinkel als sportleider van het A.M.V.J. en probeert de basketballsport verder te populariseren via propaganda-wedstrijden, toernooien en de welbekende FAMOS sportevenememten.

1936: Het tweede ‘Internationale basketball toernooi’, wederom georganiseerd door A.M.V.J. De eindstand: 1. Brussel AC (Bel), 2. A.M.V.J., 3. Utah University (USA), 4. A.M.V.J. II, 5. NL Korfbal selectie, 6. K.V.D.

1938: Oprichting van de Amsterdamse basketball commissie (onder leiding van Dick Schmüll), welke de eerste Amsterdamse competitie organiseert. D.E.D. wint het eerste kampioenschap.

1945: Oprichting van de Amsterdamse Basketball Bond (ABB) onder leiding van Dick Schmüll.

1945: Eerste basketballwedstrijd na de bevrijding op ‘gras’, daar er geen accommodatie beschikbaar was: D.E.D. – Canadian Five 40-21.

In Rotterdam groeit de belangstelling voor de sport, dankzij de Amerikanen en de Canadezen.

1946: Deelname van het Nederlands basketball team aan het Europees Kampioenschap te Zwitserland.

1947: Oprichting van de Nederlandse Basketball Bond (NBB). Dick Schmüll werd als eerste voorzitter gekozen.

D.E.D. wordt uitgenodigd om deel te nemen aan een Internationaal toernooi te Nice, welke een voorloper is van de latere Europa Cup’s.

Bronnen: Algemeen Handelsblad, Dagblad De Telegraaf, Dagblad De Waarheid en de Tribune (Soc. Dem. Weekblad)

Eerste internationale toernooi in Nederland

Een terugblik op het eerste internationale basketball toernooi dat in Nederland werd gehouden (1932). De pas opgerichte basketballtak (1930) van A.M.V.J. (Algemene Maatschappij Voor Jongeren) uit Amsterdam organiseerde dit toernooi met hulp van de Engelse tak van de internationale Young Mens’ s Christian Association, beter bekend als de Y.M.C.A.

A.M.V.J. (de oudste basketballclub van Nederland) speelde in die jaren veel demonstratiewedstrijden tegen de Y.M.C.A.’s uit Engeland en België. In eigen land speelden ze tegen korfbalteams om de sport te populariseren. En zo kon het gebeuren dat er vanuit de korfbalverenigingen zoals D.T.V., Rohda en D.E.D. basketballclubs werden opgericht. Pas in 1938 werd er voor het eerst echt in competitieverband gespeeld, toen de Amsterdamse Basketbal Bond (ABB) werd opgericht.

AMVJ JAREN 30

Het artikel is wat aangepast aan deze tijd, maar de stijl van het stuk  is waar mogelijk in tact gehouden.

 

 

 

Eerste internationale basketball toernooi in Nederland

De A.M.V.J. basketballclub organiseert op zaterdag en maandag (26 en 28 maart 1932) een internationaal toernooi waaraan deelnemen: Brussel (België), Centymca (Engeland), Olympique Lille (Frankrijk), een ploeg bestaande uit 1e klasse korfbalspelers en A.M.V.J. 1. De twee eerst genoemde vijftallen zijn Nationaal Kampioen van respectievelijk België en Engeland. Het derde team heeft zich geplaatst voor de finale van het Frans Kampioenschap.

Een dergelijk toernooi is voor ons land iets geheel nieuws, en de zo buitengewoon sterke bezetting maakt het tot een sportevenement van de eerste rang.

Dit toernooi wordt gehouden in de grote zaal van het A.M.V.J. gebouw, ingang Vondelstraat 8 bij het Leidsche Boschje. Entree 0,60 cent. Passepartouts (persoonlijke) met gereserveerde plaats 1,50. Voorverkoop in het A.M.V.J. gebouw. Vermeld zij nog, dat de netto-opbrengst van dit toernooi zal strekken ten bate van den A.M.V.J.-werklozenarbeid.

De teams zijn als volgt samengesteld:

Centymca – Kampioen van Engeland: Lew Lake (captain), Percy Bernard, Dick Cartright, Dick Zecchin, Lloyd Harris.

Brussels A. C – Kampioen van België: J. J. Tcnsen (captain), Pierre van Hemelryck, Antoine van Winnendaele, Vereycken, Marcel Sterckx.

Olympique Lille – Geplaatst voor de finale van het kampioenschap van Frankrijk: Fonteyne, Tirlemont, Vix, Labbe, Charlet.

Nederlandsche korfballers: A. Madsen (captain), J. W. Gerth, G. Meijer, M. Kokje, H. Slijper.

A.M.V.J. 1: C. Boerwinkel (captain), J. Voorhamme, J. van Driel, G. H. Draaisma, W. Rijke.

Uitslagen van het toernooi (zaterdag)

Zaterdag 26 maart: Nederlandsche Korfballers—A.M.V.J. 27—21. Brussel—Olympic Lillois 17—47. Centymca (Londen)—Nederlandsche Korfballers 50—12. Centymca (Londen)— Brussel 49—21.

_300x300De internationale wedstrijden werden maandag voortgezet in het A.M.V.J.-gebouw. Reeds zaterdag was het duidelijk dat Centymca en Olympique Lille een aparte klasse vormden. De belangstelling voor deze wedstrijd tussen de twee grootmachten werd met grote belangstelling tegemoet gezien en is dan ook geweldig geweest.

Om twee uur begon deze strijd. Bij de Fransen was samenspel weer hoofdzaak, bij de Engelsen moest het komen van bliksemsnel dribbelen. Voor de rust behaalden de Londenaren een kleine voorsprong (11-10), maar het meer robuuste Franse team had voor de tweede helft meer bewaard en won tenslotte met 26-23.

De korfballers sloten af tegen de Belgen. Sluitend samenspel en uitmuntend hinderen bracht de Nederlanders in de meerderheid. Met schieten was het echter voor rust mis, zodat de verrassende doorbraken van de Belgen een voorsprong aan Brussel gaven. Rust 8-15. Daarna echter vlotte ook het schieten bij de Amsterdammers. Weldra was de achterstand ingehaald en de leiding genomen, om die niet meer af te staan. Met 32-25 wonnen de korfballers. De eerste overwinning door een Nederlandse ploeg op een buitenlands team behaald.

Uitslagen van het toernooi (maandag)

Maandag 28 maart: Centymca—Olympic Lillois 23—26. Brussel—A.M.V.J. 28—15. Nederlandsche Korfballers—Olympic Lillois 30—50. Centymca-Brussel  49-21. A.M.V.J.-Olympic Lillois 21-51. Nederlandsche Korfballers-Brussel 32-25.  Centymca-A.M.V.J. 66-35.

De eerste prijs werd dus behaald door Olympique Lille, met vier overwinningen, tweede werd Centymca (Londen), derde de Korfballers, vierde Brussel en vijfde A.M.V.J.

Ton Kallenberg, grondlegger van het ‘Leidsche’ basketball


Kallenberg pensioen vierkant

In dit verhaal kijken we terug op het basketball leven van Ton Kallenberg sr. Antonius Joseph (Ton) Kallenberg werd geboren op 7 juli 1929 en overleed op 22 april 2010 op 80-jarige leeftijd. Je zou hem ‘de James Naismith van Leiden’ kunnen noemen. Ton stond niet alleen aan de basis van het basketball in Leiden, maar was tevens de oprichter van The Bona Stars, dat tegenwoordig onder de naam Zorg en Zekerheid Leiden acteert in de Nederlandse eredivisie.

Het begin

Na enkele jaren psychologie te hebben gestudeerd in Amsterdam en Leiden, stapte Ton Kallenberg in november 1951 de Haagse Academie voor Lichamelijke Opvoeding binnen. Na voltooiing van zijn studie gaf hij enkele uren per week gymnastiekles aan het Bonaventura College. Wat al snel een volle werkweek werd. Hij gaf les aan de lagere school en de jongens en meisjes ULO (Uitgebreid Lager Onderwijs). Hij behoorde tot de eerste lichting leerlingen van de Haagse sportacademie die basketball als onderdeel van het eindexamen kende.

Kallenberg jong

Reeds in die tijd gaf hij de voorkeur aan volleybal en …. basketball. Hij werd er eigenlijk meteen door gegrepen en mede uit ‘rancune’ – omdat de schoolleiding hem dwong zijn volleybalteam op te geven – koos Ton Kallenberg voor de nieuwe basketballsport.

Dat ging niet altijd even gemakkelijk want in de ULO aan het Vrouwenkerkhof moest hij zich aanvankelijk behelpen met korfbalmanden. Ook op de middelbare school aan de Mariënpoelstraat is Ton Kallenberg zo begonnen. Berucht was de gymzaal aan de Pieterskerkgracht: afstandschoten moesten over de steunbalken gemikt worden en middenin het veld stond een potkachel. Maar het kon zijn enthousiasme voor het basketball niet doven. Hij prefereerde tijdens de lesuren het basketball boven het volleybal. “Basketball is technisch ook moeilijk, maar het geeft de beginneling toch meer voldoening”, aldus Ton Kallenberg in 1957.

Zijn geestdrift miste zijn uitwerking op de rector niet: er kwamen heuse baskets. Die waren nog maar koud in het gebouw, of Ton Kallenberg begon met een klassencompetitie. De animo onder de Bonaventura leerlingen was enorm. Zelfs het kleinste klasje wilde met een eigen team meedoen. Uit die onderlinge scholencompetitie is de eerste basketballclub van Leiden gegroeid. Een tweede klas vroeg om extra training. Toen die aan de gang was, waren er meer gegadigden. Zo ontstond een schoolclubje, dat al spoedig – 1956 – aan de competitie ging deelnemen. Aanvankelijk als onderafdeling van de korfbalclub “Crescendo”, maar dit onderdak werd niet ideaal geacht, en na een jaar ‘inwoning’ gaf men er de voorkeur aan op eigen benen te staan.

The Bona Stars

Op 23 september 1958 werd de vereniging opgericht. Als naam werd gekozen: The Bona Stars. In het eerste gedeelte daarvan werd de band met het Bonaventura Lyceum (die inmiddels heel wat losser was geworden) tot uiting gebracht en die “Stars”; nu ja …. de jongens voelden zich “stars” want pas drie jaar na de oprichting leed het eerste team zijn eerste nederlaag: tegen Argus 2. Ton Kallenberg vond een aantal leraren van het Bonaventura – toen nog paters – bereid om bestuurswerkzaamheden voor The Bona Stars te verrichten.

The Bone Stars logo

Inmiddels hadden die competitiesuccessen hun invloed ook op de jeugd niet gemist. De vereniging telde in 1961 niet minder dan vijf senioren- en zes jeugdteams. Ton Kallenberg was in die tijd niet alleen voorzitter van The Bona Stars, maar ook lid van de NBB-districtsraad van het district Den Haag. In die jaren was er in Nederland een tekort aan zaalruimte. The Bona Stars hadden overigens niet te klagen, zij hadden de beschikking over een gymnastiekzaal van het Bonaventura Lyceum en hadden nog een ‘veld’ buiten op het schoolplein, waar de competitiewedstrijden werden gespeeld! In die tijd was Kallenberg voorzitter en secretaris tegelijk, maar bovendien coach en trainer van alle teams. Gelukkig kwam aan deze hectische tijd een einde toen Kees Pleij en André de Jong hun diensten aanboden. Met hen stond er een organisatie, die de volgende stap kon maken.

Kallenberg vertelde in de beginjaren ’60: “Toen ik begon, waren er geen trainerscursussen. Ik ging in Delft en Den Haag kijken hoe de eredivisie coaches van Punch en Argus trainingen gaven. De school Bonaventura was helemaal basketball-gek geworden. Ik kon kiezen uit meer dan 200 leerlingen, waar talenten als Har Stol, Peter de Jong, Paul Ruysenaars en Pieter van Tuyll van Serooskerken uit voort zijn gekomen.”

The Bona Stars team

In 1961 volgde promotie naar de landelijke eerste klasse. Het duurde zes jaar voor de eredivisie werd bereikt. Drie keer eindigde de ploeg van Kallenberg als tweede. In 1964 hield EBBC Den Bosch – met speler Rinus de Jong, later de grote man bij die club – The Bona Stars van promotie af. Nadat de volgende jaren Suvriki en Punch voorrang was verleend, maakte de Leidse vereniging onder leiding van Ton Kallenberg de stap alsnog, in 1967.

Eredivisie en afscheid

April 1967 volgde dus de promotie naar de eredivisie. In dat eerste jaar werden de thuiswedstrijden in de sporthal aan de Steenwijklaan in Den Haag afgewerkt. Omdat de Hongaarse coach Tibor Toth het in dat eerste jaar nogal eens liet afweten, nam Kallenberg de training en coaching over. In 1969 werd besloten, na commentaar van een aantal leden, dat bestuursleden niet meerdere functies binnen de vereniging konden vervullen. Kallenberg had hier geen moeite mee. Hij gaf zijn voorzitterschap op en ging verder als trainer/coach. Daar lag ook meer zijn interesse. Hij ging zich nu meer verdiepen in de theorie van het spel en nam vele boeken door om zich verder te bekwamen in het coachingvak. Hij besefte terdege dat de structuur moest veranderen, wilde The Bona Stars een woordje meespreken in de eredivisie. Zijn ideaal was om kampioen van Nederland te worden met eigen spelers. Eén van de eerste dingen die hij deed, was het formeren van een begeleidingsteam om hem heen. Als assistent-coach kwam oud-eerste team speler Cees den Hollander en er werd een arts aan het team toegevoegd: Dr. Bosch van de Annakliniek,  tevens lid van de medische commissie van de NBB.

The Bona Stars met pater

Boven: 41 Hans van Mameren, 10 Cees Pley, Tibor Toth, 95 Peter de Jong, Ton Kallenberg (oprichter van The Bona Stars), Pater Gelauff (jarenlang bestuurslid van The Bona Stars)
Midden: Cees den Hollander, Ben van Cleef, André de Jong
Onder: 44 Ad van Slingerland, 28 Wim Stol, Hans Kaper, Harry Stol

Na een wat onbevredigend seizoen, nam Ton Kallenberg in 1973 afscheid van de club die hij had opgericht. In het begin van de zeventiger jaren veranderde de naam in BS Leiden en met financiële steun van een groep sponsors – verzameld door Ton Menken – werden de eerste Amerikanen aangetrokken. De band met het Bonaventura werd verbroken. Kallenberg destijds hierover: “Bona Stars kreeg allerlei faciliteiten van de school in de vorm van materiaal en trainingsaccommodatie. Na het seizoen 1972-73 met Amerikaanse inbreng heb ik me terug getrokken. Die hele ontwikkeling hoefde van mij niet. Mijn bedoeling was leuk te ballen en zover mogelijk te komen. Dat laatste is wel gelukt.” Kallenberg werd benoemd tot ere-voorzitter van de club.

LUBA Leiden en Blitz Voorschoten

In 1974 vertrok Ton Kallenberg naar LUBA Leiden om daar mede als coach aan de slag te gaan. Ook hier pionierde hij: de fusie tussen Essor en TRK kwam er mede door zijn toedoen. In mei 1976 werd hij gekozen tot voorzitter van het jeugdbestuur bij LUBA. Mei 1978 nam Ton afscheid van LUBA, hij legde zowel zijn functie als coach als het voorzitterschap neer. Hij wilde het wat rustiger aan doen. Hij werkte verder bij de NBB, onder anderen als voorzitter van de Commissie Opleidingen, die toezicht hield over de trainingsopleidingen bij de basketballbond.

In de zomer van 1982 werd Kallenberg coach bij het Voorschotense Blitz, vlakbij Leiden. Tijdens het 25-jarig bestaan van The Bona Stars in 1983 was ere-voorzitter Ton Kallenberg coach bij de wedstrijd tussen oud-Bona Stars en een team van oud Punch/Argus spelers. Voor de wedstrijd werd hij gehuldigd. Uit handen van NBB-bestuurslid Bongers ontving hij de bondsspeld van verdienste. In 1984 vertrok hij bij Blitz nadat een aantal spelers niet meer onder hem wilde spelen, terwijl Kallenberg het met die spelers ook wel gezien had.

LUBA eerde in 1988 de oprichter en erevoorzitter van Leiden, die de sport in de sleutelstad introduceerde, met een evenement: De Kallenberg-trofee, een evenement voor teams uit de Leidse regio.

Vervroegd pensioen

In 1988 trad hij vervroegd uit bij het Bonaventura na 34 jaar les te hebben gegeven. Het liefst stond hij langs de lijn; vooral het werken met de jeugd had zijn passie. Bestuurswerk vond hij eigenlijk niets. Kritiek op zijn geesteskind slikte hij het liefst in, alhoewel hij eens vertelde: “Leiden heeft veel kansen gemist. De club heeft geen eigen kweek meer. De grote kracht van Leiden was de eigen jeugd.” Van nostalgie was geen sprake. Wel wees hij erop, dat de lessen van gisteren beter onthouden zouden moeten worden. De gemeente Leiden eerde Ton Kallenberg in 1993 voor zijn verdiensten voor de (school)sport met de gouden speld.

Anekdote

Er gaat een verhaal dat de gemeente Leiden destijds de vijf Meihal pal tegenover zijn huis liet bouwen opdat Ton Kallenberg voor ‘eeuwig’ kon waken over het basketballtalent te Leiden. Sinds de opening van de hal in 1968 heeft hij heel wat uurtjes doorgebracht in zijn “tweede huis” aan de overkant van de straat.

Familie

Ton was getrouwd met Joanna Maria Wisse, die hem alle ruimte gaf om zijn hobby basketball tot zo’n succes te maken. Zijn zonen René, Ton jr., Hans en Fred leerden het spel van hun vader tijdens de gymles op school, en op de vereniging. Het enthousiasme hebben ze van hun vader overgenomen en doorgegeven aan hun kinderen, zijn kleinkinderen. Er is een leuk familieverhaal waarin Ton jr. met zijn broers met splinternieuwe broeken (door hun moeder toen nog zelf gemaakt) aan het spelen was op het schoolplein. Hun vader was de wedstrijd aan het coachen en toen de partij klaar was, waren al hun broeken volledig kapot van het glijden op een afdakje, het klimmen en het klauteren. Kortom, hun moeder in tranen bij thuiskomst en hun vader kon voor de jongens allemaal nieuwe broeken gaan kopen in de winkel.

Kallenberg was ook bij Zorg en Zekerheid Leiden een vaste bezoeker van de wedstrijden. Door fysieke beperkingen heeft hij het laatste halve seizoen van de competitie (2009-2010) niet meer kunnen meemaken. Op afstand volgde hij Zorg en Zekerheid Leiden intensief tot het allerlaatste moment. De Leidse basketballpionier overleed op donderdag 22 april 2010 op 80-jarige leeftijd in het ziekenhuis. Enkele dagen later werd in de thuishal van ‘zijn’ Leiden een indrukwekkende stilte in acht genomen. De zaalspeaker verwoordde ieders gevoel, toen hij vertelde dat hij uit eerbied altijd ‘meneer Kallenberg’ is blijven zeggen tegen de grondlegger van het basketball in Leiden.

Bronnen: Archief Leidsch Dagblad, Dagblad De Telegraaf en Dagblad De Tijd

Met dank aan Arie in ‘t Veld

Tom “The Beast” Chestnut kijkt terug

In deze flashback kijken we met de Amerikaan Tom Chestnut onder anderen terugop zijn Nederlandse jaren bij Fiat Stars. Hij behoort tot het selecte groepje  “legendarische Amerikanen”, die in ons land hebben gespeeld en daarbij  een onuitwisbare indruk hebben achtergelaten.

Hij kreeg al snel de bijnaam “The Beast”,  mede door zijn agressieve speelstijl. Chestnut werd twee jaar achtereen topscorer van de eredivisie, maar kon geen titel op zijn erelijst bijtekenen daar aartsrivaal Levi’s steeds iets te sterk was voor zijn team Fiat Stars.

Na zijn terugkeer naar Amerika begon hij te werken aan zijn maatschappelijke loopbaan. Tom kwam dankzij SportChannel NY in 1983 terug in de sportwereld, waarbij hij later hoge functies beklede bij de NBA-teams van de Cleveland Caveliers en de Philadelphia 76ers.

Tom is altijd basketball blijven spelen op een hoog recreatief niveau. Afgelopen zomer won hij met zijn team een gouden medaille op World Masters Games in de 65+ divisie.

Sinds kort is hij met pensioen en geniet volop van het leven en zijn gezin.

His childhood in Schenectady

In many ways, I had a very idyllic childhood.  America, in the 1950′s and early 60′s, was a wonderful place to grow up. My father was an engineer at General Electric, which was headquartered in Schenectady at the time, and my mother stayed at home to raise my two brothers and me.  My parents were very big on education, so my getting good grades in school was very important to them.  I was always into sports, starting with baseball, which I played almost every day from about age 6 to 13.

Early basketball experiences and coach Walt Przybylo

My first significant exposure to basketball came when I was about ten years old, when I attended a summer sports school.  It was run by Walt Pryzbylo, who was the basketball coach at Linton High school, which consistently turned out the best teams in the area.  While I played a lot of sports that summer, I was greatly influenced by Coach Pryzbylo’s love of basketball, and the goal of someday playing for Coach Pryzbylo at Linton began to form in my mind.  A few years later, when I got to junior high school (grades 7-9); basketball was the only sport with a school team, so I started to concentrate on basketball exclusively.

Linton High School

Linton had been a real high school basketball powerhouse for many years before I got there, turning out such players as Barry Kramer, who was an All American at New York University, and later a first round draft choice who played in the NBA.  When I was in 10th grade, the star of our team was Pat Riley, who went on to be a great college player at Kentucky, and had a long career as a player in the NBA.  His real fame, of course, came as the coach of the Lakers and the Knicks, and now as the president of the Miami Heat.

I was a bit of a late bloomer, and it wasn’t until my senior year that I became a starter and a significant contributor to the team.

Princeton University… The legendary coaches Butch von Breda Kolff and Pete Carril …  Winning two Ivy League titles … The Tigers team of 1966-67 was ranked as high as third in the country.

My sophomore year, we had an incredible team Afbeelding

When I was deciding on where to go to college, Bill Bradley was finishing his spectacular career at Princeton, which is considered one of the most prestigious universities in America.  Since I wanted to go to a school with both a strong academic environment and a big-time basketball program, Princeton was a natural choice.

My sophomore year, we had an incredible team, that won many games by wide margins.  The team was mostly made up of seniors who had played with Bradley two years earlier, so I did not get much playing time.  At the end of the year, our coach, Butch Van Breda Kolff (of Dutch ancestry, by the way), was hired to coach the Los Angeles Lakers.  At the time, it was very unusual for a college coach to move to the NBA, especially to such a high profile team as the Lakers, who were led by Wilt Chamberlain, Elgin Baylor, and Jerry West.

Our new coach for my junior year was Pete Carril, a short, intense, no-nonsense guy from the coal mining region of Pennsylvania.  He inherited a team that was loaded with talent, including two players, Geoff Petrie and John Hummer, who went on to be first-round NBA draft picks.  Again, I didn’t start until my senior year, and because we had so many great scorers on the team, my job was to focus on defense and rebounding.  I think my best games were a couple of 22 point, 13 rebound efforts against Harvard.

My favorite memory from that time is playing in the Holiday Festival in Madison Square Garden in New York, which was then, as now, the mecca of American basketball.  We played against both U.C.L.A., the number one team in the country, and North Carolina, who was ranked number two.  We lost both games, but for a college basketball player it doesn’t get any better than playing in front of 20,000 fans in Madison Square Garden.  The star of the U.C.L.A. team was 7’1″ Lew Alcindor, who later changed his name to Kareem Abdul-Jabbar.

A pro try-out with the ABA’s Texas Chaparrals (became later the San Antonio Spurs)

I was not drafted by either the NBA or the ABA, but I wanted to give pro basketball a try, so I wrote to every team in both leagues, requesting a try-out.  The only team to respond was the Texas Chaparrals, who invited me to their rookie camp.  I was one of about 40 guys there, all of whom were pretty good players, including several of their top draft choices.  The rookie camp took place in late summer in Dallas, where the temperatures in the gym (before air conditioning) were well over 100 degrees.  At the end of the week-long rookie camp, I was one of the few players who were invited back to the Chaparrals real training camp, where we were joined by the guys who were actually on the team.

I got a chance to play in several pre-season games, which was a real thrill, and I got to experience up close just how good so many of these players were.  When the team got down to 13 players, it looked like it was between me and another guy for the last spot on the 12-man roster, but it turned out they traded for a big name player and cut us both.  While I was naturally disappointed, I was realistic enough to know that at the time I probably wasn’t good enough to play a major role on the team.

Europe ….

In the summer of 1969, I was invited by the Italian team Ignis Varese to play with them in a series of summer tournaments.  Ignis was one of the very best teams, not only in Italy, but in all of Europe.  At the time, the Italian League allowed teams to have only one foreign player for league games, but they were allowed two foreigners for European Cup games, which Ignis had qualified to play for in the upcoming season.  One of the teams we played against in a few of the tournaments was Gillette, which was coached by Jim McGregor and made up of a bunch of former American college players.  When I finished playing with Ignis, I was asked to play with the Gillette team in some more tournaments, which I was happy to do.

At the end of the summer of 1969, I went back to America in time to attend the Woodstock music festival, which was quite the experience.  Amazingly, my picture appears very clearly on the crowd shot picture on the both the Woodstock movie poster and the European edition of the original record album cover.

After finishing college, I came back to Europe in both the summers of 1970 and 1971 to play again with Gillette against some of the best teams in Europe, including the national teams of Russia, Yugoslavia, and Italy.  As the 1971 summer tour was winding down, I was told that the Fiat Stars team in the Netherlands was interested in my playing with them, so I went to Amsterdam to check it out.

Holland, Amsterdam and Fiat Stars

The canals, the buildings, the food, and the people — it was all magical to me

The first thing I did when I arrived in Holland was to go to Vondel Park, which was right behind the hostel that I was staying in.  It was full of music and young people from all over the world, and I knew immediately that Amsterdam and Holland were very special places.

With Amsterdam, it was love at first sight.  The canals, the buildings, the food, and the people — it was all magical to me. Now part of Afbeeldingthat was because it was late summer in 1971, when the sun was shining every day, and Amsterdam was filled with young people from all over the world.  After I signed my contract, I went back to the States for a few weeks to see my family and pack.  When I got back to Amsterdam, it was late September, and both the sun and most of the young people were gone.  The party, it seemed, was over, and it was time to get down to my job of playing basketball.

The weather in the winter was very difficult to get used to.  It seemed to be gray and drizzling every day, which tended to affect everybody’s mood.  I remember that whenever there would be a rare sunny day, people would go around with smiles on their faces and saying “hello” to one another, and it made everything better.

The Fiat Stars, at the time, had several very good veteran players, in Ton Boot, who was our captain, and Cees Smit, who was a terrific shooter.  We also had some other good players in Bernard van der Molen, Vespa Emanuelson, and Gerrit van Buuren.  But clearly, the two Americans, Mike Rowland and myself, were expected to carry the bulk of the scoring load.  There were three or four other teams which had some high quality players, but our main rival was Levi’s from Haarlem, who we challenged for the league championship in both years I played in Holland.

I was very disappointed that we couldn’t get by Levi’s and win the league championship.  Our games with them were always very close and hotly contested, and realistically, they probably had a bit more talent than we did.  Not only did they have two solid American players in Bill More and Gerhard Schreur, but they had a steady veteran in Frank Kales, and two very good big men, in the young Kees Akerboom and Harry Kip.

I enjoyed the competitiveness of the Dutch league games, especially against the really good teams like Levi’s, Raak Punch, and Rotterdam.  I liked the food, in particular the chinese-indonesian restaurants.  Nobody in the United States knows how to make a good loempia, let alone a riijstaffel.  And I liked the friendliness of the Dutch people, who are a lot calmer and more comfortable with their lives than many people in America.  At one point, I even considered buying a houseboat and living part of the year in Amsterdam, but I ultimately decided against it.

Scored once 50 points against Donar Groningen

Actually, I was almost embarrassed to score 50 points that night.  We were a far superior team, and I was able to get a lot of easy baskets that kept mounting up.. The only other time in my life where I scored fifty points was against the British National team, where we needed every one of those points to win the game

I spent a few days in Amsterdam about five years ago, and had a very nice dinner with Ton Boot and his wife Jenny. Although he was not a teammate, I also ran into Kees Akerboom at the World Masters’ Games  in Turin this past summer.

Nickname

I was always a very aggressive player, and my nickname with some fans and in the press became “The Beast.”    While I never particularly liked the nickname, I guess I could have been called a lot worse things.

March ’73 decided to leave Holland

I played with the Gillette team every summer from 1969 to 1974, traveling around Europe and playing four or five games a week.  In Afbeeldingthe summer of 1973 I received an offer to play with the team in Nice, France, which seemed like a new challenge and a very interesting place to play.  It was also appealing because I had studied French in school, and would have a chance to use the language everyday and learn to speak it better.  When I was in Amsterdam, I actually took a course to learn Dutch, but whenever I would speak to someone, they would immediately notice my accent and reply in English, “Oh, you’re an American.”  So I never got a chance to practice my Dutch.

In December’73  Gerard de Lange Christmas tournament

Yes, it was great to be back in Holland, and to play in a very competitive tournament.  I had to drive almost non-stop from Nice to get there in time, and got to the arena just a few minutes before the first game started.  As I recall, we played against Ignis Varese in the final, and I was matched up against Dino Meneghin, who was considered one of the best players in Europe at that time.  If you can find an article or box score of that game, I’d love to see it.

Nice and Mike Rowland

Our Nice team had a very good year, winning the championship of our league.  I talked with the team about coming back for another year, but since I knew I wasn’t going to play basketball forever, I decided to go back to the States to begin a “real” job and begin my post-basketball career.

I didn’t have much contact with Mike that year, but we’ve gotten in touch with each other from time to time over the years, and we each came back to Holland in January, 1983, for a ten year reunion game between Fiat Stars and Levi’s.

Back to the States

Vice president and general manager of SportsChannel NY (now FOX Sports), president and chief operating officer of the Cleveland Cavaliers and chief operating officer of the Philadelphia 76ers.

Certainly my professional playing career was over then, but I have continued to play basketball recreationally at a high level ever since.  Even now, at 65, I  still play full-court basketball twice a week , as well as another two or three days of tennis.  This past summer, I played with an American team that won the gold medal in the 65+ division of the World Masters’ Games, that was played over an eight day period in Turin, Italy.

My jobs for my first ten years back in the States had nothing to do with sports.  I worked in marketing for several major consumer products companies, like Procter & Gamble.  In 1983, I got the chance to go to work in the emerging cable TV industry, for a company named SportsChannel, which was in the business of creating regional sports networks in major cities around the United States.  It got me back into the sports world again, and I then got the further opportunity to serve as the President of the NBA Cleveland Cavaliers from 1990-1995.  We had great teams during that period, led by such players as Mark Price, Brad Daugherty, and Larry Nance, but every year we would lose in the playoffs to Michael Jordan and the Chicago Bulls.

In 1994, we completed building a state-of-the-art arena in downtown Cleveland for the Cavs to play in, which was a exciting project that did a lot for the city of Cleveland.  I was subsequently asked by the owner of the Philadelphia 76ers to become chief operating officer of that team, which I did for a year, but then he surprised me by selling the team, and my time as an executive in the NBA came to an end.

AfbeeldingTom Chestnut today …..

Life has treated me very kindly.  I recently retired after serving as CEO and president of AAA Western and Central New York, which is a company in the road service, travel, and insurance businesses, I currently am doing a lot of traveling all over the world.  My new goal is to travel to 100 countries by time I’m 75.  Over Christmas this year, my wife Laura and my two daughters, Whitney, who’s 27 and Taylor, who’s 25, will be taking a trip to Thailand, Cambodia, and Viet Nam, which will put me at 65 countries visited.  So I’ve still got a long way to go.

Frans de Haan, beste Nederlandse guard in de jaren zestig

In deze Flashback een portret van  Frans de Haan. Wie is deze Frans de Haan? Hij is geboren op 18 september 1938 in Amsterdam, verhuisde op 21-jarige leeftijd naar Rotterdam, verliet twee jaar later The Wolves om voor het Rotterdamse The Arrows te gaan spelen, hield dat één jaar vol (“Het was een ontzettend leuk jaar”), waarna hij terugkeerde bij The Wolves. Hij stopte toen een tijdje en meldde zich vervolgens aan bij het Delftse Punch, waar hij zijn carriëre ook afsloot. Samen met Jan Driehuis was hij de beste point guard van Nederland in de jaren zestig van de vorige eeuw. Bij elkaar speelde Frans de Haan zestien jaar op het hoogste niveau.

20131031-frans-de-haan-1967-300x300

Met een bolhoed en een paraplu. Zó leeft de herinnering voort aan Frans de Haan. Een buitenbeentje in de vaderlandse basketballwereld, een maatschappelijk welgestelde, die een grootmeester was in het bespelen van de tegenstander en publiek.

Buitenbeentje in basketball

Frans de Haan studeerde in Rotterdam bedrijfssociologie, was wetenschappelijk medewerker aan de Interfaculteit bedrijfskunde en directeur van Manritta BV. Frans de Haan trouwde met een dochter van Goudriaan en werd vader van drie kinderen. Hij draagt de titel ‘doctorandus’, maar dat zei hem verder niets en leefde een druk bezet leven. Frans vertoefde veelvuldig in het buitenland. Hij was bestuurslid van de Vereniging voor Wetenschappelijk Onderzoek Sport en Lichamelijke Opvoeding.

Zijn eerste wankele schreden op het basketballpad zette Frans de Haan, als menig Amsterdamse basketballer, op het Museumplein. Waar de gemeente toendertijd een batterij baskets had neergezet. Hij sloot zich aan bij het roemruchte The Wolves en werd met deze club vier keer kampioen van Nederland. In Rotterdam speelde hij daarna in het eveneens befaamde (maar dan niet om het behalen van titels, maar meer om de ongedwongen sfeer) The Arrows. Toch voelde hij zich daar niet zo thuis en het daarop volgende seizoen sloot hij zich dan ook maar weer aan bij zijn oude Amsterdamse vereniging. Punch in Delft vormde de laatste pleisterplaats. Frans de Haan was er de man niet naar zijn glanzende basketballcarrière als een nachtkaars te laten uitgaan.  Liefst 70 keer is hij voor het Nederlands team uitgekomen, heeft Nederland op een aantal Europese toernooien vertegenwoordigd en werd vijf keer nationaal kampioen.

the wolves Kamp. 1957 DeHaan 5e van links

Aan het jaar bij The Arrows in Rotterdam bewaart Frans de Haan de prettigste herinneringen. Glimlachend: “Er waren toen de eerste sporen van het professionalisme te bespeuren. Op onze manier werd er aan commercie gedaan, via onkostenvergoedingen. Dat was voor die tijd zeer progressief. Na een paar maanden zijn we er in gezamenlijk overleg vanaf gestapt. Het was een erg gezellig jaar. Ik was de benjamin van de ploeg en de anderen wisten goed de weg naar de gezellige tentjes in Rotterdam. We hebben wat afgelachen.”

Frans de Haan stopte een jaar met basketballen toen zijn maatschappelijke carrière te veel tijd ging opeisen. “Maar ik merkte dat het te zeer een stuk van mijn leven was geworden en toen Punch me vroeg te komen spelen, heb ik ja gezegd”.

Nederlands team

Het is onvermijdelijk niet te praten over de wedstrijden in het Nederlands team. Egon Steuer is in zijn ogen een bekwame coach, maar toch denkt hij ietwat wrang terug aan zijn slotperiode in het Nederlands team en de plotselinge afschrijving voor de nationale selectie na het Europees kampioenschap in Helsinki. Steuer wilde verjongen en de geroutineerde Jan Bruin en Frans de Haan kregen een, overigens keurig, briefje waarin zij bedankt werden voor hetgeen zij voor het basketball gedaan hadden. Maar de voorronden in Haarlem liepen niet zo voorspoedig voor Steuer en zijn pupillen. De Haan is van mening, dat het Nederlands team juist gebrek had aan routiniers. “Die verjonging is mijns inziens niet goed doorgevoerd. En de leeftijd, ik was toen 28, vond ik maar een matig excuus.”

Met een bolhoed en een paraplu

Met een bolhoed en een paraplu, zo trad Frans de Haan aan voor de sluitingsceremonie van het Europees kampioenschap te Helsinki in 1967. Hij haalde hiermee de voorpagina’s van alle Finse kranten.

Frans de Haan had steeds het voorgevoel dat dit EK (na Belgrado en Wroclaw) zijn laatste zou zijn. Hij wilde van die gelegenheid graag gebruik maken zijn ongenoegen te tonen van het zijns inziens ‘abnormale’, dat internationale evenementen plachten te omlijsten.

frans de haan1

Oranje was als laatste geëindigd en marcheerde derhalve als eerste bij het officiële slot de hal binnen. Helemaal achteraan Frans de Haan (“Ik was met mijn 1.80 meter altijd de laatste”), getooid met een bolhoed en paraplu, die hij van een vriendelijke Finse official had gekregen. Een speelse noot, volgens Frans de Haan, en iedereen vond het schitterend. “De toenmalige voorzitter  van de NBB, Piet Storm, is ontzettend boos geworden. Maar hij is later bijgedraaid. Toen ik tijdens het gezamenlijke banket van alle kanten complimenten en klappen op mijn schouders kreeg, koos hij eieren voor zijn geld. Hij heeft daarom niets gezegd. Kennelijk zag hij in dat het geen kwaad kon, wat ik had gedaan. We moeten zo’n ceremonie relativeren, we weten dat er naast sport nog zo veel andere, belangrijkere dingen bestaan. Er worden waarden aan normen gekoppeld, die de sportman nooit bedoeld heeft. Ik heb die hele vertoning willen ont-mythologiseren, het willen terugbrengen tot het normale. Met die bolhoed en die paraplu heb ik er een humoristische tint aan gegeven.”

Frans de Haan deed graag dingen die afweken van wat men ‘de normale gang van zaken’ noemt. Hij hield wel van gekke dingen. Vooral bij basketball geldt, dat je direct contact met je publiek hebt. Dat publiek bespeel je min of meer. Als je van alles doet om niet op te vallen reageert niemand. Het publiek is in feite niet eerlijk. Het waardeert goede prestaties niet. “Ik hield ervan de mensen te beïnvloeden. Je kan dat op diverse manieren doen, bijvoorbeeld door te klappen bij een eigen strafworp, het maken van gebaren, het kijken in een bepaalde richting, je manier van lopen, het gooien van de bal met een bepaald effect, enzovoort. Er zijn ook honderd manieren om de tegenpartij en de scheidsrechter een bepaalde kant op te krijgen. Je moet altijd dingen doen, die indruk maken op de tegenpartij of die jezelf vertrouwen geven.

Anekdotes

“Tijdens het Europese kampioenschap in Polen speelden we om de laatste plaats tegen Turkije. Onze coach was Jan Janbroers en in zijn ogen hadden we ons de avond tevoren niet helemaal gedragen zoals het sportlieden betaamt. We waren doorgezakt, zogezegd. Ha, ha.”

“We waren verbannen naar een of ander obscuur gymnastiekzaaltje en die Turken speelden, alsof ze per punt betaald werden. Ze hadden gewoon bloeddoorlopen ogen. Dat hadden wij ook, maar dat had een andere oorzaak, hahaha. Op een gegeven moment dribbelde ik met de bal naar voren – zo goed als zo kwaad het ging – maar die bal ging vreemd genoeg steeds lager. Janbroers werd des duivels, toen ik naar hem riep dat die bal niet goed was. „Doorspelen, doorspelen” riep hij. Maar ik dribbelde maar terug – dat mocht toen nog – en toen bleek dat de bal zo lek was als een mandje. Dat had ik nog nooit meegemaakt.”

Het is Frans de Haan ook eens overkomen dat hij in de Amsterdamse Apollohal door de vloer zakte: “Een plank begaf het en daar ging ik.” En hij heeft het meegemaakt, dat in dezelfde hal een wedstrijd moest worden afgelast … omdat er ijs op de vloer lag. “Het dak lekte en het was zo koud, dat het water op de vloer bevroor. Ja, dat was wel een vreemde gewaarwording.”

De psychologische ‘oorlogsvoering’ was min of meer De Haans stokpaardje. “Bij Punch”, vertelt hij, “was het een cultus geworden om er zo slordig mogelijk uit te zien. We speelden een keer in Luxemburg  tegen de kampioen van België en toen zagen we er zo onmogelijk uit, dat het publiek begon te fluiten. Het dacht eerst dat de ballenjongens het veld opkwamen. Het was ook geen vertoning. De een had een shirtje aan, dat een half jaar niet gewassen was, de ander speelde met twee verschillend gekleurde sokken, enzovoort. Zo traden wij het liefst aan. Je strooide er je tegenstander zand mee in de ogen.”

Frans de Haan benadrukt dat hij nimmer heeft geprobeerd onsportief te zijn. “Het is altijd mijn bedoeling geweest spelers zodanig te beïnvloeden, dat ze alleen tijdens de wedstrijd zichzelf niet meer waren. Na afloop was voor mij alles voorbij. Praten deed ik ook veel,  ja. Maar nooit vloeken of opmerkingen, die iemand belachelijk maakten. Soms was één blik genoeg. De bedoeling was iemand iets mee te geven om over na te denken, dat hij met iets anders bezig was dan met de gedachte die bal erin te gooien.”

“Bij mij heeft altijd alles in dienst van het winnen gestaan. Ik wilde altijd nummer één worden. Als je dat niet hebt, kun je beter gaan trimmen of aan muziek gaan doen. Misschien is de indruk gewekt, dat ik tijdens wedstrijden meer met bijzaken bezig was dan met de hoofdzaak – de sport -, maar dat is toch niet zo. Ik was altijd voor 99 procent met mezelf bezig en voor één procent met anderen. En dat gebeurde zelfs lang niet altijd bewust.”

Volgens oud-teamgenoten was Frans een fanatiek baasje, die nooit iets half deed. Hij was een slechte verliezer, in de goede zin van het woord.

Frans de Haan was een playmaker en noemt zelf als zijn meest kenmerkende eigenschappen: “Ik was fanatiek, agressief, ik had de wil om te winnen en ik speelde in dienst van het team.” Hij was een lastige jongen voor een coach, omdat hij er een vreselijke hekel aan had als – in zijn ogen – het spelen van een systeem belangrijker werd dan het maken van punten. “Ik week graag van de regels af”, zegt Frans de Haan. “Ik was moeilijk te binden.”

Niet alledaags voor een basketballer in die jaren was het feit, dat Frans de Haan speelde met een tandenbeschermer. Dat kwam zo: “Mijn gezicht was op ideale hoogte voor de ellebogen van de tegenstanders. Onder de basket geldt: ‘Keep your elbows up’ en zo liep ik steeds tegen de ellebogen van die lange kerels op. Het heeft me heel wat hoge tandartsrekeningen opgeleverd. Oud teamgenoten en tegenstanders: “Met die mondbeschermer was in ieder geval het praten afgelopen. Hij moest dat ding eerst uitdoen voor hij iets kon zeggen.”

Golf

Golf noemt Frans de Haan net zo’n interessante, leuke, mooie, moeilijke en veeleisende sport als basketball. De Haan: “Golf is een volwaardige sport, waarin je wel degelijk je emoties kwijt kunt. Je bent van negen tot vijf praktisch constant in touw. Het vergt fysiek dan ook veel van je. Je hebt een ongelooflijke durf, groot zelfvertrouwen, concentratievermogen, timing en balgevoel nodig. Ja, het beïnvloeden van je tegenstander speelt ook bij golf enorm. Het gebeurt alleen subtieler. Ik zou zeggen dat het er bij golf wat gepolijster aan toegaat. Het eigenaardige is dat je je eigen scheidsrechter bent. Dat je de kleinste fout zelf recht moet zetten. Je kunt je nooit afreageren op je tegenstander.

Frans de Haan is een uitstekend golfer. Hij werd onder andere in 1972 en 1973 kampioen van Nederland. In 1981 was De Haan medeoprichter van Orange All Stars, een vereniging van golfspelende Nederlandse oud-internationals waarvan hij vanaf de oprichting tot 2008 voorzitter geweest is. Onder de leden zijn sporters uit bijna twintig takken van sport. Enkele keren per jaar treffen zij elkaar op een golfbaan of een cricketveld.

Terugblik

Als Frans de Haan namen zou moeten noemen van Nederlandse spelers die door hem frans de haanhet meest bewonderd werden, komt hij tot het volgende kwartet: Kees Smit (“Die had een geweldige wil om te winnen”), Ton Boot (“Dodelijk zeker van zichzelf”), Jan Bruin (“Iemand die het maximum wist te halen uit zijn capaciteiten”) en Frank Kales (“Mijn grootste tegenstander van Flamingo’s, voor wie ik veel respect heb”).

“Ik heb het lang aan de top uitgehouden. Dat komt omdat ik er altijd de betrekkelijkheid van heb ingezien. Je moet je voortdurend bezinnen op waar je mee bezig bent. De weg naar volwassenheid is voor een sportman moeilijker dan voor een niet-sportman, omdat je lange tijd in een bepaalde schijnwereld leeft en daar succes in hebt. Het is fout de oude tijd te idealiseren,  je moet je op andere gebieden richten. Voor mij waren dat mijn werk, mijn gezin en golf.

Vandaag de dag woont de 75-jarige Frans de Haan in een mooi ‘stulpje’ in Noordwijkerhout. Hij kijkt met intens plezier terug op zijn basketball-loopbaan.

Bronnen: Het Vrije Volk, De Waarheid en De Telegraaf

Foto’s: Archief Jacob Bergsma