Harie Meijers ….. Sprinter uit het heroïsch tijdperk

Een stukje uit het in september uitkomende boek over Harie Meijers, die van 1896 tot 1904 op de wielerbanen van binnen- en buitenland schitterde.

Op twee December van het jaar 1879 werd het echtpaar Meijers te Maastricht verblijd met de geboorte van een zoon, die de naam Harie kreeg. Vader Meijers beheerde een bloeiende brouwerij en branderij te Maastricht en was, evenals zijn echtgenote, een rasechte Maastrichtenaar.

Vaak heeft men gedacht, dat de Meijers Engelsen waren, wat vermoedelijk oorzaak vond in het feit, dat Harie Meijers het profkampioenschap van Engeland op de vijf mijl behaalde (1898) en door Engeland een keer naar de wereldkampioenschappen werd afgevaardigd. In Parijs daarentegen meende men, dat hij een Zuid-Afrikaan was en dat er nog een broer van hem in de Transvaalse oorlog tegen de Engelsen meevocht, vandaar Harie’s Parijse bijnaam “le Boer”.

Als jongen van acht jaar leerde hij fietsen, toentertijd (1887) een lang niet gebruikelijke bezigheid. Toen hij op de Handelsschool was, probeerde hij in zijn vrije tijd in contact te komen met bekende wielrenners en vooral Cordang had veel met de jonge Maastrichtenaar op. Zijn debuut vond plaats op de wielerbaan te Maastricht: 26 Mei 1895. Vijftien jaar oud was hij toen, maar hij overwon alle goede tegenstanders en in datzelfde seizoen zag men hem in Arnhem, Venlo en Sittard, terwijl hij op 21 Juli te Maastricht het kampioenschap van Limburg won, een titel, die niet veel aan jongens van vijftien jaar ten deel pleegt te vallen! Met Bailleux, die één van zijn beste vrienden was, wist hij voor zijn club “De Meteoor” het Jaap Edenvaandel te veroveren.

Het volgend jaar (1896) ging hij over naar de beroepsrenners om steeds sterkere tegenstanders te ontmoeten en om voor weinig geld eens wat van de wereld te kunnen zien. Het jonge rennertje debuteerde puik: zeven eerste, zes tweede en drie derde prijzen werden in die zomer zijn deel.

Zeventien jaar oud was hij, toen hij sprintkampioen van Nederland (beroepsrenners) werd; het verwekte alom bewondering, toen hij op 4 Juli 1897 zijn oudere geroutineerde tegenstanders wist te kloppen en de kampioenstitel eervol behaalde. “Daar zit wat in dat jochie”, voorspelde men! Dat jaar al reed hij in het buitenland te Brussel, waar hij tweede werd in de Grand Prix.

De correspondent van het Franse “Velo”, Paul Hardy: schreef daarover in het blad: “Le hollandais Meyers, un coureur d’un style supérieur et d’une qualité admirable”.

Foto’s Ger Kok

Kampioen van Nederland met Landlust (1961-1962) Van links naar rechts: Seppenwolde, Posthumus, Grossmann, Kok, J. Bruin, Smit, K. Bruin en Sterker
Kampioen van België met Standard Luik (1967-1968)
Met Okapi Aalst ongeslagen kampioen in de 2e klasse (1969-1970)
EK 1961: Kok wint sprongbal voor Nederland tegen Roemenië
Ger Kok tijdens kersttoernooi Blue Stars (1961) tegen Big Blue (USA)
Kok scoort voor Landlust in EC wedstrijd tegen Wisla (1962)
Ger Kok scoort voor Landlust tegen The Wolves (1963)
Kok scoort voor Brussel tegen Mechelen (1964)
Kok scoort tegen Hongarije (1964)
Ger Kok met Racing Brussel tegen Racing Mechelen (1966)
Ger Kok (5) in actie voor Royal IV Brussel (1968)
Ger Kok in actie voor Okapi Aalst (1971)
Ger Kok in actie voor Okapi Aalst (1971)

Basketball in Rotterdam

Een klein stukje over het ontstaan van het basketball in Rotterdam.

Snel is in enkele jaren de belangstelling gegroeid voor een nieuw soort spel, dat in Amerika al miljoenen beoefenaren, en bewonderaars heeft: het basketbal. Het houdt het midden tussen handbal en korfbal en wordt door twee teams van vijf man gespeeld, volgens dagblad “Het Vrije Volk” in 1946.

In Amsterdam werd het al voor de oorlog gespeeld, doch in de Maasstad wordt het pas beoefend. In de sportschool “Kralingen” werd met dit basketball begonnen, maar niemand trok zich iets van de spelregels aan, omdat niemand ze kende. Eerst nadat enkele Amsterdammers er een en ander over hadden meegedeeld, steeg het spelpeil.

Er werd in de winter van1944 een competitie gespeeld, waaraan 17 heren en 7 damesteams deelnamen. Enkele malen moest deze competitie onderbroken worden in verband met razzia’s of andere Duitse maatregelen. Zelfs werd tweemaal een inval gedaan tijdens de oefenavonden.

Buitengewoon veel hebben de spelers(sters) geleerd van de Canadezen, toen deze na de bevrijding in Rotterdam kwamen. Van hen leerde men de moderne Amerikaanse regels. Verscheidene beroepsspelers instrueerden de Rotterdammers en meermalen werden wedstrijden tegen Canadese ploegen gespeeld. Bovendien fungeerden verscheidene keren Canadezen als scheidsrechters. Al nu worden, goede resultaten bereikt.

Bij voorkeur wordt in een zaal gespeeld, die natuurlijk behoorlijke afmetingen moet hebben. Het spel is zeer snel en daarom zijn er twee scheidsrechters, een tijdwaarnemer en een schrijver nodig. Bovendien mogen spelers tijdens de wedstrijd vervangen worden door andere tot een aantal van drie.

Officieel wordt tweemaal twintig minuten gespeeld, toch voorlopig volstaat men bij de heren met tweemaal vijftien minuten en bij de dames met tweemaal twaalf en een halve minuut.

Begaafde basketballer Ger Kok heeft het in België goed naar de zin

Een artikeltje over Ger Kok uit januari 1965.

Nederlands meest begaafde basketball-speler Ger Kok (21), twee jaar geleden Europa’s beste jeugdspeler genoemd, heeft het ontzettend naar zijn zin in België.

Ger Kok scoort tegen Hongarije (1964)

Hij was negentien jaar toen hij zuidwaarts trok, en het heeft hem geen windeieren gelegd. Hij mocht studeren, een vorstelijke salaris ontvangen en in het eerste seizoen in de Belgische competitie kreeg hij van een der grote bladen een radiotoestel vanwege zijn bijzondere prestaties. Inmiddels heeft hij zijn studieboeken (wiskunde) weggelegd, en heeft een baan gezocht.

Hij verteld: “Het basketball in België is beter. Er is veel meer publiek. Bij de wedstrijd Antwerpse – Racing Mechelen om het kampioenschap van België waren er 8.000 toeschouwers. Daar komt nog bij, dat je hier een vedette bent. Basketball is in België na voetbal en wielrennen de derde sport, en de kranten schrijven geen korte stukjes zoals in Holland, neen er worden pagina’s volgeschreven, op de manier zoals in Holland voetbal behandeld wordt”.

Amors armen

We voegen er nog aan toe, dat Gerrit in de armen van één van Amors vrouwelijke discipelen is gevallen, dan kun je wel begrijpen dat hij er voorlopig niet aan denkt om naar Nederland terug te komen. Zelfs heeft Ger Kok een tijd de hoop gekoesterd, dat één van zijn beste Hollandse basketballvrienden, talent Jan Schappert hem in België gezelschap kwam houden.

De 21-jarige Schappert, geboren en getogen Amsterdammer, heeft zo vertelde hij, definitief de knoop doorgehakt, hij bezwijkt niet voor de ongetwijfeld aanlokkelijke voorwaarden die hem door Racing Brussel zijn gesteld.

Amateurisme

Voor de bond en voor clubbestuurders, bestaat er officieel alleen amateurisme in België. Komt men echter met insiders te spreken dan rollen bedragen van duizenden “frankskes” even gemakkelijk uit de mond als betrof het bedieningsgeld bij een kopje koffie. Het is nauwelijks een geheim te noemen, dat iedere topbasketballer betaald wordt, en fors!

Willie Steveniers, de grootste Belgische basketballer, beste speler van Europa genoemd, rijdt in een prachtige sportwagen, en geeft meer geld uit dan met een zeer goede baan gedaan kan worden. Deze Steveniers weigert zelfs in het nationale team uit te komen, als hij daarvoor niet betaald wordt. Maar dat ging het bondsbestuur toch net iets te ver, dus Willie speelt niet.

Voor het Nederlandse basketball is dit “semi-professionalisme” een gevaarlijke tendens, want als er hier een groot talent rondloopt, dan rinkelen de Belgen maar even met hun beursjes, en het Nederlandse topbasketball is weer een tijdje “invalide”. Tot nu toe heeft men alleen het oog laten vallen op Kok, maar het succes van deze speler inspireert wellicht om nog meer spelers aan te trekken.

Het meespelen van Ger Kok in het nationale team is zo langzamerhand een obsessie geworden. Voor de interland tegen België was helemaal niet bekend of hij mee zou spelen, tot vijftien minuten voor de wedstrijd, toen sprak de inmiddels gekomen Kok de voor de Belgen verlossende woorden: : “Ik speel niet”.

Gerard de Lange Dames stoppen massaal na 19 landstitels

In 1976 kwam er een einde aan de hegemonie van Blue Stars (ook Fiat Stars en Gerard de Lange). Deze club veroverde 19 landstitels in 25 seizoenen, alleen AMVJ en Landlust wisten zo nu en dan dit de doorbreken.  Hieronder het verhaal van deze unieke damesploeg.

Adieu, kampioenen!

Geheel volgens verwachting veroverde de damesploeg van Gerard de Lange verleden week het negentiende landskampioenschap, na al even voorspelbaar een week daarvoor de beker in bezit genomen te hebben. Aan het eenzijdige en daardoor saaie verloop van de toch al in de versukkeling geraakte hoogste competitie van het dames basketball is echter met het verstrijken van dit seizoen een einde gekomen.

Dat mag althans worden afgeleid uit het vertrek van de kern van de Amsterdamse ploeg met inbegrip van coach Gien Gootjes. Want liefst vijf speelsters, met allemaal een respectabel aantal interlands achter de naam, houden op met het winnen van bekers en landskampioenschappen om bijvoorbeeld wat meer tijd voor het gezin vrij te maken. Met het afscheid van routiniers als Jeanne Knoop, Hilda van Wijk, Janny van Ham, Els de Groot en Ria de Roos is Gerard de Lange, ongetwijfeld tot grote opluchting van de rest van de eredivisie, niet meer dan een gewone basketballploeg geworden, die zoals het er nu uitziet voorlopig een onbetekenende rol zal gaan spelen.

Aan een uniek stuk basketball geschiedenis is derhalve een einde gekomen of, zoals coach Gien Gootjes, die zichzelf de eerste en grootste fan noemt, het wat weemoedig uitdrukt: “Dat spel van ons zie je de eerstkomende jaren niet meer terug”.


De speelsters van het kampioensteam van Gerard de Lange. Staand v.l.n.r. J. Knoop, B. Hillegers, G. Gootjes, E. de Groot, H. Argoubie, G. Schouten. Zittend: R. Roos, H. van Wijk, L. van Rees, J. van Ham, J. Poen.

Dertigers

De motieven om er mee op te houden worden verwoord door Ria de Roos, één van de scheidende “dertigers”, die de tel wat betreft het aantal keren dat zij voor het Nederlandse team uitkwam, is kwijtgeraakt, hoewel dat er zo’n honderd moeten zijn geweest. “Ach, het wordt me allemaal wat te veel en dat geldt eigenlijk voor alle vijf. Het is opeens gekomen. We hadden geen zin meer om zoveel te trainen en de zin ging er een beetje af”, aldus Ria de Roos, die net als haar teamgenoten nog altijd minstens twee keer per week trainde en met een belangrijke wedstrijd op komst zelfs drie keer.

Maar die belangrijke wedstrijden waren het laatste seizoen spaarzaam, hoewel er dit jaar met name door Vastgoed BOB uit Oud-Beijerland en het Rotterdamse Transol wat aan de hegemonie van de Amsterdamsen werd geknaagd. Die aantasting bestond echter voornamelijk uit het feit, dat Gerard de Lange wedstrijden dit jaar met kleiner verschil dan voorheen winnend afsloot, want in de bij voorbaat besliste strijd om de titel werd slechts één keer verloren.

Ria de Roos onderschrijft de stelling van Gien Gootjes, dat er met het afscheid van het vijftal, dat met een schat aan ervaring heel wat jeugdige ploegen makkelijk van zich af hield, een einde is gekomen aan een tijdperk in het dames basketball: “De meisjes kunnen niet meer dezelfde trainingsarbeid opbrengen als wij destijds. Maar dat kan ik wel begrijpen. Er is tenslotte tegenwoordig veel meer te doen dan alleen basketball”, verklaart Ria de Roos, die louter voor de gezelligheid of in het tweede team van Gerard de Lange of bij een andere vereniging, maar wel met de andere vier speelsters blijft door basketballen,

Ook Gien Gootjes zegt het topbasketball vaarwel: “Ik ga de welpen van het district Amsterdam trainen”, aldus de coach die de succesvolle formatie twee jaar onder haar hoede had, maar toch wat teleurgesteld is over de doorstroming van jong talent: “Ik had gehoopt dat we wat jonge meisjes hadden kunnen inspireren, maar er is niets uitgekomen. Behalve Lia van Reemst, dat is een eenling en een natuurtalent.

Twee jaar geleden werd ik kampioen met de meisjesjunioren van AMVJ, maar niemand daarvan is bij een eerste team terechtgekomen.”

Van de basisspeelsters, die dit jaar tekenen voor de dubbel, blijft behalve Lia van Reemst nog Gerda Schouten over. Wat haar basketball toekomst betreft weet ze nog niet voor welke ploeg ze volgend jaar uitkomt: “Het hangt ervan af of we er bij Gerard de Lange wat goede speelsters bij krijgen. Het volgend seizoen wordt in ieder geval heel anders. We speelden al zo lang met elkaar, dat je in het veld van alles tegen elkaar kon zeggen.

Daarom kregen andere ploegen nog wel eens de indruk, dat we vaak ruzie hadden. Maar we waren gewoon een heel fijn stel meiden.”

Geruisloze afmars van teleurgestelde Kees Smit

Een oud interview met Kees Smit. Hij vormde met Ton Boot een veel scorende duo bij de Amsterdamse clubs DED, The Wolves en Blue Stars (Fiat Stars) en behaalde met de laatste twee clubs drie kampioenschappen. Hij werd daarnaast ook met het Amsterdamse Landlust en het Utrechtse SVE Nederlands kampioen.

Nooit een wedstrijd weggegeven
Het streven van Gerard de Lange-coach Hans Perriér, om dit seizoen te besteden aan de opbouw van een basketball ploeg die in de toekomst tot wat betere prestaties in staat is dan de schamele achtste plaats van dit moment, heeft kortgeleden tot het voorlopige einde van de loopbaan van de routinier binnen Gerard de Lange, Kees Smit, geleid.

Want even geruisloos als hij twintig jaar lang heeft gebasketbald, besloot de 34-jarige Kees Smit er kortgeleden een punt achter te zetten. “Hij is een paar weken geleden bij een training weggelopen en sindsdien hebben we niets meer van hem gehoord”, zegt bestuurslid Cor Hagers over de “verdwijning” van de vooral om zijn fanatisme bekendstaande Smit.

KEES SMIT …einde van een basketballer.

Kees Smit zelf houdt er echter een andere visie over zijn stille afscheid op na: “Ach, er waren al een tijdje problemen. Er bestond een verschil in technisch inzicht tussen Perriér en mij. Op mijn leeftijd heeft het geen zin meer in een ploeg te spelen, die in een opbouwfase is. Ik wilde dat na een training een keertje met hem uitpraten, maar er was geen discussie mogelijk. Perriér was niet van plan zijn mening te herzien en voor mij was dat een reden om er maar mee te nokken, wat ik hem toen ook verteld heb.”

Kees Smit wil van zijn voortijdig afhaken geen gebruik maken om nog eens een stevige trap na te geven, zoals hij zelf zegt. Maar bij het motiveren van zijn beslissing komt toch duidelijk enige bitterheid en teleurstelling naar voren. “Het gaat me ook wel een beetje aan mijn hart. Voor mijn gevoel had ik nog best een jaartje of twee meegekund”.

“Ik had me van dit seizoen ook enorm veel voorgesteld. Conditioneel zat het ook goed in elkaar. Ik heb me deze zomer in die bloedhitte rot getraind, net zoals de hele ploeg trouwens. Ik had gerekend op een plaats bij de bovenste zes, maar dat pakte heel anders uit”, aldus Kees Smit, voor wie het seizoen dan ook niet langer dan tien wedstrijden duurde. Voor het seizoen hebben we het er ook wel met elkaar over gehad dat we een ploeg moesten opbouwen, maar het resultaat zou voorop blijven staan. Ik ben altijd een resultaatspeler geweest en ik kan me er niet mee verenigen, als er voor een wedstrijd al wordt gezegd: “Deze partij is niet belangrijk want we kunnen hem toch niet winnen”. Als ik dat allemaal vooraf had geweten, had ik al voor dit seizoen een andere vereniging opgezocht”.

Carrière
In de lange periode, die Kees Smit in de hoogste afdeling van het Nederlands basketball doorbracht, kwam hij voor praktisch alle Amsterdamse topploegen, waaronder het eens zo roemruchte The Wolves uit.

Vijf keer maakte hij deel uit van een kampioensformatie, terwijl de tegenwoordig in Utrecht wonende spelverdeler, 45 maal het oranje om de schouders droeg. In 1966 maakte hij een overstap naar het Utrechtse SVE, dat in dat seizoen als eerste ploeg buiten Amsterdam de landstitel veroverde. De afgelopen jaren, slechts even onderbroken door een mislukt avontuur bij Punch, toen nog gesponsord door Raak, de werkgever van Smit, werden doorgebracht bij Fiat Stars en toen het automerk de sponsoring voor gezien hield, Gerard de Lange.

Vooral het seizoen 1971/72 toen Fiat Stars in een adembenemende finale tegen Levis, bijgewoond door ruim 5000 toeschouwers, het kampioenschap op een haar na miste, betekende een hoogtepunt in Smits respectabele carrière. Het toeval wil, dat ook toen Hans Perriér aan het roer bij “The Blue Stars” stond.

Vandaar, dat Smit ook blij was, dat Perriér dit jaar op het oude nest terugkeerde, maar zoals gezegd bleken de uitgangspunten ditmaal mijlenver uit elkaar te liggen. Bovendien is de Amsterdamse vereniging geen schim meer van de ploeg, waarin Smit samen met de Amerikanen Chestnut (The Beast), Rowland en niet te vergeten Ton Boot faam verwierf. Ondanks de niet geringe steun van Gerard de Lange is het de Amsterdammers nog niet gelukt een belangrijke rol in de eredivisie te spelen.
“We hebben altijd al een slechte naam gehad en als je dat imago eenmaal hebt kom je er niet meer vanaf. Ons bestuur verzet bergen werk, maar die mensen zijn en blijven amateurs”, aldus Smit, die met de opmerking “de totale gang van zaken is toch wel deprimerend” aanduidt dat er organisatorisch nog wel het één en ander bij Gerard de Lange tekort schiet. “Neem Delta Lloyd maar als voorbeeld. Dat is voor mij geen betere ploeg, maar ze zijn door het driemanschap Kales, Brakel en De Haas duidelijk vooruitgegaan. Als je in een gladde organisatie rondloopt is het nu eenmaal een stuk makkelijker.”

Fanatiek
Binnen de lijnen van een basketballveld gaat Smit zeker niet door voor de meest vriendelijke basketballer. Zo dreigde hij ten onder te gaan aan de moordlustige gevoelens van de Amerikaan Smith van Delta Lloyd, die een nogal grove overtreding van de Gerard de Lange-speler hardhandig wilde afstraffen. “Ik voelde me na die affaire behoorlijk in de zijk gezet. Ik zou Smith gebridged hebben (een bij basketball levensgevaarlijke overtreding).

Als dat zo was, waarom ben ik er dan niet uitgestuurd? Ik speel niet om iemand te mollen. Ik geef toe, dat ik behoorlijk fanatiek ben. Ik heb tenslotte twintig jaar gebasketbald en zes keer per week getraind. Op een training ben ik net zoals in het veld. Ook daar gaat de beuk erin bij wijze van spreken, maar ik vind niet dat ik een smerige speler ben.
Er is niemand, die door mij een blessure heeft opgelopen. Het is geen oorlog; verre van dat.

Trappelen
Vooralsnog staat Kees Smit, nu weer eens thuis bij vrouw en kinderen, niet te trappelen om de basketballschoenen weer aan te trekken. “Maar als we een week of drie verder zijn kan dat misschien wel weer veranderen,” voegt hij eraan toe. “Sporttechnisch gezien leef je als je 34 bent met het jaar, maar ik zou nog wel even door kunnen gaan Hoewel het in feite vreemd is, dat jongens als Boot en ik nog steeds in de eredivisie kunnen meespelen. Maar ja, er is nu eenmaal weinig jeugdig talent.”

Zelf zou Smit de herfst van zijn basketball carrière best nog bij Gerand de Lange willen doorbrengen, “maar sinds ik weg ben, heb ik nooit meer iets van ze gehoord,” laat hij daar teleurgesteld op volgen.

Carla de Liefde en haar eenzame strijd

Een interview uit 1972 met één van de beste basketbalster die ons land heeft voortgebracht.

“In Nederland stond ze bekend als een van de meest getalenteerde spelers van de basketballsport. Carla Benschop-de Liefde was haar gehele loopbaan als basketbalster verbonden aan de basketbalclub B.O.B. in Oud-Beijerland; tezamen wisten ze het landskampioenschap en de halve finale van de European Cup for Women’s Champions Clubs te bereiken. In de jaren zeventig speelde ze eveneens in het Europese team. In totaal speelde zij mee in 185 interlands.

Na haar sportieve carrière werd zij gymnastieklerares aan diverse scholen voor het voortgezet onderwijs. Zo was zij 25 jaar lang werkzaam bij een rijksscholengemeenschap in Oud-Beijerland waar zij in de zomer van 2006 bij wegging.

Korte tijd nadat zij van deze school afscheid had genomen openbaarde zich een ernstige ziekte bij haar waar zij na een kort ziekbed op 56-jarige leeftijd aan overleed.”

Carla de Liefde en haar eenzame strijd

Carla de Liefde behaalde op Europees niveau een triomf; ze werd door enkelen gevierd en alleen en familie bejubeld. Zo gaat dat in ons land, waar kinderen leren tegen een bal te schoppen in plaats van hem op te rapen en met de handen te spelen. Basketballster Carla de Liefde was en bleef daarom een onbekende, al werd ze onlangs op het EK voor dames niet minder dan tweede op de topscorerslijst. In Amerika zou zo’n prestatie met publiciteit en dollars zijn begeleid.

Ten onrechte een onbekende, Carla de Liefde. Verleden jaar Nederlands topscoorster, kortgeleden zelfs opvallend in het gezelschap van basketball grootmachten als Rusland en Joegoslavië. Maar Carla is in Nederland slechts één van de 120 miljoen mensen die zich met de grootste sport ter wereld bezighouden. Het verschil zit hem hierin, dat Nederland geen Amerika is en dat haar woonplaats Oud-Beijerland, waar sinds een jaar zondagsport argwanend wordt toegestaan, geen New York is.

Carla de Liefde (22) kan zich er niet over opwinden. Stelt, met zachte, berustende stem: “Alleen voetbal staat in tel. En de realiteit is, dat de basketball competitie voor dames niet aantrekkelijk is. Er zijn acht ploegen en daaronder stelt het al helemaal niets voor. De toppositie van mijn club BOB en het Amsterdamse Fiat Stars zal ook niet gauw doorbroken worden. (Inmiddels heeft Fiat al meedogenloos afgerekend met BOB, de competitie is nog oninteressanter geworden)

Carla de Liefde … triomf zonder roem …

Toch, iedere dag bezig met basketball. In het overwegend christelijke Oud-Beijerland is de familie De Liefde basketball. Vader Dick, de coach van het Nederlandse team en de mannen eredivisieploeg Haarlem Cardinals, Hans de Liefde de DED-er, Carlo de speler/trainer van BOB’s herenteam en trainer van BOB’s dames. Aan het thuisfront, in Oud-Beijerland, worstelt Carla haar eenzame strijd. Ze is ook nog penningmeesteres van BOB en zegt zorgelijk: “Onze 110 leden betalen 75 gulden contributie, maar daar kan je de eindjes niet van aan elkaar knopen. Een sponsor? Ja, maar waar en wie?” Een al klassieke vraag; door welke clubbestuurder nog niet gesteld. Carla: “Wij hebben het hier in het dorp geprobeerd bij Koen Visser, van de Indische gerechten, en De Koning schokbrekers. Bot gevangen.”

Waarom doorgaan met basketball, als er in andere sporten meer eer valt te behalen. Lerares lichamelijke opvoeding Carla de Liefde (haar vader en twee broers hebben hetzelfde beroep): “Ik koos bewust voor een teamsport en dan vind ik basketball meer geschikt voor dames dan voetbal. Atletiek, daar heb ik ook aan gedaan, maar dat is mij te saai.”

Met het Oranje-damesteam werden op het jongste EK in Sofia volslagen onverwachte resultaten geboekt, die in landen als Joegoslavië en Oost-Duitsland nog nadreunen. Maar hier is het allemaal al verleden tijd. Bestaat de Nederlandse ploeg überhaupt nog, of is de geruisloze liquidatie “tot het volgende evenement” alweer een feit? Zegt Carla, 53 keer international: “De bond wil de ploeg nu geloof ik laten doortrainen, toernooien spelen ook. Als wij volgende keer weer naar het EK willen, in 1974 vermoedelijk op Sicilië, zullen wij ons moeten plaatsen via voorrondes. Deze keer mochten wij zonder voorwedstrijden, omdat het vorige EK door de NBB in Rotterdam werd georganiseerd. Maar wat de bond nu precies wil, ik weet het niet.” Te vrezen valt, dat de Nederlandse Basketball Bond met zijn onstuimige groei bij de heren, óók nog geen flauw idee heeft wat men nu eigenlijk met het stiefkind moet aanvangen.

In Oud-Beijerland ploetert Carla de Liefde door. Verzucht: “We moeten met BOB maar weer eens een actie houden. Bloembollen en balpennetjes verkopen voor de club.”

Stukje uit het verhaal over Jackie Dinkins

Stukje uit het verhaal over Jackie Dinkins, “Basketball is mijn leven. Het fascinerende vind ik dat je altijd iets anders kunt doen, er is zoveel improvisatie mogelijk. Het zalige is dat je alles vergeet. Je kunt gefrustreerd zijn, of, boos, of je hebt problemen, als je basketballt vergeet je alles.”

De goedlachse, vriendelijke Jack Dinkins heeft een periode van zwaarwegende acclimatisatie achter de rug. Een periode, waarin hij vergat het mooie van Holland mee te- pikken. Iets, waarover hij uitsluitend, zichzelf een verwijt maakt: zijn auto staat immers voor de deur. Maar nu Dinkins er eenmaal achter is, dat er ook in Holland met plezier kan worden gebasketballd, dat zijn ideeën worden gerespecteerd, en dat hij hier ’s avonds rustig over straat kan lopen, zijn zijn reserves voor een goed deel verdwenen.

Hij woonde eerst een tijdje in Vlaardingen, samen met Richardson, maar … toen Lilian overkwam werd het een flatje in IJsselmonde: Vijfmaal in de week trainen, dikwijls twee wedstrijden ertussendoor, en proberen te onthouden in welke van de vier trainingszalen Jan Bruin c.s. nu weer waren.

Jeanne Knoop: “Ik dol vaak een beetje”

Kwam deze tegen uit 1972, een prachtig stukje.

Als we op de recorder een stukje van ons gesprek terugluisteren, zegt ze lacherig: “Wat praat ik plat hè. Afijn, dat rotding liegt niet.” Jeanne Pastor, ze is zo Amsterdams als de Westertoren. Bijna net zo bekend ook, zeg dus maar net als iedereen Sjaan. Een goudeerlijke meid zonder vijanden, Sjaan van basketballclub Fiat Stars. Sjaan, die nu haar verhaal vertelt in voor de gelegenheid wat omzichtig gekozen kuise taal. Niets voor haar eigenlijk. Sjaan immers, dat weten hele drommen zaalsporters die zich met grote regelmaat om haar “bescheuren”, zegt geen pardon als ze lazer-op bedoelt.

Sjaantje Knoop uit de Amsterdamse Staatsliedenbuurt, Jeanne Pastor tijdens haar huwelijk met basketballer Karel Pastor, nu weer Sjaan Knoop (29). Woont aan de overkant van ’t IJ, zag met het Nederlands damesteam en het vroegere Blue Stars ongeveer heel basketballend Europa. Bij een biertje aan de bar van Fiat Stars’ Diemense kantine vertelt Sjaan een van haar internationale mopjes: “Veel geleerd heb ik op mijn buitenlandse tripjes, veel geleerd. Ik kan in alle Oost-Europese talen damesverband bestellen.” Zo achteloos als zij en plein publique haar ademloze fans laat gillen van de lach, zo droog ligt haar moppen-reservoir later. Sjaan heeft nu eenmaal publiek nodig om in vorm te komen, zegt daarom thuis: “Wat moet ik nou als mijn beste mop vertellen, het zijn allemaal droge moppies, nooit vies. Maar als ik ze vertel, van een muis en een olifant en zo dan denken de mensen kijk dat malle wijf nou in die krant.

Sjaan over vreemde talen: “Ik ben geen talenknobbel hoor, ik praat met mijn handen en een paar woordjes over de grens. Ze weten in de club ook wel hoe ik ben. Als ze me uitlachen als ik wat verkeerd uitspreek, zeg ik, vertel jij het dan maar hoe het moet. Wat ik weet heb ik geleerd op de tripjes.”

De lijn

Over Sjaan zelf: “Nou ja, ik kan het ook wel zeggen, ik weeg 86 kilo. 1 meter 84. Veel te dik hè. Ik ben ook zwaar aan de lijn. Wanneer? Morgen? Nee hoor, gisteren begonnen, minder pils weet je wel.”

Sjaan als caféhoudster: “Driejaar hebben Karel en ik in België gewoond. Karel was de eerste Nederlandse prof. Hadden we een café in Gent erbij. Na afloop van een wedstrijd was het hup naar het café, wel lachen hoor. Als het ’s nachts druk was, liep ik effetjes naar de overkant met een paar franksjes voor een vergunninkje om open te blijven. Maar ik moest ook mijn dochter Nicole verzorgen en alles zelf schoonhouden. Hard werken hoor.”

Nooit meer terug naar België? Sjaan: “Van het leven niet. We zijn voor de woning en het contract van Karel gegaan, voor zoiets doe ik het nooit meer, ga heen. Karel zat drie keer per week in Amsterdam, die kon het hier niet missen. Nou, ik kan Mokum ook niet missen, voel me helemaal Amsterdamse. Daarom hebben we het café ook verkocht, met de joekboks en al.”

De eer

Sjaan als 40-voudig international over de eer van het vaderland: “Dat vond ik vroeger hardstikke mooi, uitgekozen voor het land, je land ergens verdedigen. Nu heb ik dat niet meer, van ik mot zo nodig. Vroeger stelde ik me een beetje gelijk aan een voetballer in het Nederlands elftal, dat is er nou wel af. Na het Europees kampioenschap van 1970 in. Rotterdam heb ik bedankt.”

Sjaan over Fiat Stars damesteam: “Ze noemen me een flapuit, een gangmaakster. Ach, ik dol graag een beetje. Met de dames onderling, waar we over praten? Basketball. En over dingen die niet in de krant hoeven, hahaha. Nee, op mekaar schelden zoals de heren wel doen, wij niet. Nooit godverdomme dat had je zus of zo moeten doen. We mopperen wel hoor, dat mag ook wel als topsportsters.”

De anderen

Over Fiat Stars in de Nederlandse competitie: “Niks aan eigenliik, wij zijn veel te sterk voor de anderen. Verleden jaar hebben we één keer verloren, uit tegen BOB. Als we nou vanavond in Diemen winnen van datzelfde BOB, dat zit er ook heel dik in, dan zijn we weer zo’n beetje onbereikbaar. Heb je zeker gelezen in het clubkrantje hè, dat de kampioensvlag dan zo langzamerhand wel uit de mottenballen kan worden gehaald.”

Sjaan over de “gezonde ziekte” in een damesteam: “Bijna ons hele team is getrouwd. Jannie van Ham, Ria de Roos, Jennie Boot, Hilda van Wijk. Alleen Hilda heeft nog geen kinderen. Mooi voorbeeld: d’r was niks van uitgelekt dat Ria de Roos verleden jaar al vier maanden zwanger was. Deed ze gewoon mee in een belangrijke wedstrijd en vertelde ze het na afloop in de kleedkamer. Wij later op een training roepen van “pas op, moeder”. Zo blijf je lachen in de ploeg.”

De hotels

Nogmaals over het buitenland: “Als we op trip gingen, vormden we ploegjes, je weet hoe dat gaat. Met Blue Stars (tegenwoordig Fiat Stars) zaten we ’s in Krakau. Een week spelen, beetje rommelen in de stad. Ja, d’r zaten nogal wat blonde dames in de ploeg, dan zag het om het hotel heen zwart van de mannen. Soms dacht je dan wel eens, nou, met die man zou ik wel eens …….. Maar dat was er mooi niet bij hoor. Zei ik altijd, ik versta je niet ouwe. Kom morgen maar terug, eerst vanavond basketballen. Meestal moesten we met z’n allen naar een oudheid, een museum of zo. Ben ik niet zo vóór, maar ja, dat hoort in het buitenland bij het ritueel. In de hotels heb ik wel ontzettend gelachen. Kwam je op je kamer terug, lag alles overhoop. Je bed omhoog, alles ontruimd, de duvel en z’n ouwe moer overhoop. Dan hoorde je ze op alle kamers giechelen. Nee, m’n beste mop schiet me niet zo gauw te binnen. Die vertel ik later nog wel ‘es, hou je tegoed”.