Stukje uit het verhaal over Jackie Dinkins

Stukje uit het verhaal over Jackie Dinkins, “Basketball is mijn leven. Het fascinerende vind ik dat je altijd iets anders kunt doen, er is zoveel improvisatie mogelijk. Het zalige is dat je alles vergeet. Je kunt gefrustreerd zijn, of, boos, of je hebt problemen, als je basketballt vergeet je alles.”

De goedlachse, vriendelijke Jack Dinkins heeft een periode van zwaarwegende acclimatisatie achter de rug. Een periode, waarin hij vergat het mooie van Holland mee te- pikken. Iets, waarover hij uitsluitend, zichzelf een verwijt maakt: zijn auto staat immers voor de deur. Maar nu Dinkins er eenmaal achter is, dat er ook in Holland met plezier kan worden gebasketballd, dat zijn ideeën worden gerespecteerd, en dat hij hier ’s avonds rustig over straat kan lopen, zijn zijn reserves voor een goed deel verdwenen.

Hij woonde eerst een tijdje in Vlaardingen, samen met Richardson, maar … toen Lilian overkwam werd het een flatje in IJsselmonde: Vijfmaal in de week trainen, dikwijls twee wedstrijden ertussendoor, en proberen te onthouden in welke van de vier trainingszalen Jan Bruin c.s. nu weer waren.

Jeanne Knoop: “Ik dol vaak een beetje”

Kwam deze tegen uit 1972, een prachtig stukje.

Als we op de recorder een stukje van ons gesprek terugluisteren, zegt ze lacherig: “Wat praat ik plat hè. Afijn, dat rotding liegt niet.” Jeanne Pastor, ze is zo Amsterdams als de Westertoren. Bijna net zo bekend ook, zeg dus maar net als iedereen Sjaan. Een goudeerlijke meid zonder vijanden, Sjaan van basketballclub Fiat Stars. Sjaan, die nu haar verhaal vertelt in voor de gelegenheid wat omzichtig gekozen kuise taal. Niets voor haar eigenlijk. Sjaan immers, dat weten hele drommen zaalsporters die zich met grote regelmaat om haar “bescheuren”, zegt geen pardon als ze lazer-op bedoelt.

Sjaantje Knoop uit de Amsterdamse Staatsliedenbuurt, Jeanne Pastor tijdens haar huwelijk met basketballer Karel Pastor, nu weer Sjaan Knoop (29). Woont aan de overkant van ’t IJ, zag met het Nederlands damesteam en het vroegere Blue Stars ongeveer heel basketballend Europa. Bij een biertje aan de bar van Fiat Stars’ Diemense kantine vertelt Sjaan een van haar internationale mopjes: “Veel geleerd heb ik op mijn buitenlandse tripjes, veel geleerd. Ik kan in alle Oost-Europese talen damesverband bestellen.” Zo achteloos als zij en plein publique haar ademloze fans laat gillen van de lach, zo droog ligt haar moppen-reservoir later. Sjaan heeft nu eenmaal publiek nodig om in vorm te komen, zegt daarom thuis: “Wat moet ik nou als mijn beste mop vertellen, het zijn allemaal droge moppies, nooit vies. Maar als ik ze vertel, van een muis en een olifant en zo dan denken de mensen kijk dat malle wijf nou in die krant.

Sjaan over vreemde talen: “Ik ben geen talenknobbel hoor, ik praat met mijn handen en een paar woordjes over de grens. Ze weten in de club ook wel hoe ik ben. Als ze me uitlachen als ik wat verkeerd uitspreek, zeg ik, vertel jij het dan maar hoe het moet. Wat ik weet heb ik geleerd op de tripjes.”

De lijn

Over Sjaan zelf: “Nou ja, ik kan het ook wel zeggen, ik weeg 86 kilo. 1 meter 84. Veel te dik hè. Ik ben ook zwaar aan de lijn. Wanneer? Morgen? Nee hoor, gisteren begonnen, minder pils weet je wel.”

Sjaan als caféhoudster: “Driejaar hebben Karel en ik in België gewoond. Karel was de eerste Nederlandse prof. Hadden we een café in Gent erbij. Na afloop van een wedstrijd was het hup naar het café, wel lachen hoor. Als het ’s nachts druk was, liep ik effetjes naar de overkant met een paar franksjes voor een vergunninkje om open te blijven. Maar ik moest ook mijn dochter Nicole verzorgen en alles zelf schoonhouden. Hard werken hoor.”

Nooit meer terug naar België? Sjaan: “Van het leven niet. We zijn voor de woning en het contract van Karel gegaan, voor zoiets doe ik het nooit meer, ga heen. Karel zat drie keer per week in Amsterdam, die kon het hier niet missen. Nou, ik kan Mokum ook niet missen, voel me helemaal Amsterdamse. Daarom hebben we het café ook verkocht, met de joekboks en al.”

De eer

Sjaan als 40-voudig international over de eer van het vaderland: “Dat vond ik vroeger hardstikke mooi, uitgekozen voor het land, je land ergens verdedigen. Nu heb ik dat niet meer, van ik mot zo nodig. Vroeger stelde ik me een beetje gelijk aan een voetballer in het Nederlands elftal, dat is er nou wel af. Na het Europees kampioenschap van 1970 in. Rotterdam heb ik bedankt.”

Sjaan over Fiat Stars damesteam: “Ze noemen me een flapuit, een gangmaakster. Ach, ik dol graag een beetje. Met de dames onderling, waar we over praten? Basketball. En over dingen die niet in de krant hoeven, hahaha. Nee, op mekaar schelden zoals de heren wel doen, wij niet. Nooit godverdomme dat had je zus of zo moeten doen. We mopperen wel hoor, dat mag ook wel als topsportsters.”

De anderen

Over Fiat Stars in de Nederlandse competitie: “Niks aan eigenliik, wij zijn veel te sterk voor de anderen. Verleden jaar hebben we één keer verloren, uit tegen BOB. Als we nou vanavond in Diemen winnen van datzelfde BOB, dat zit er ook heel dik in, dan zijn we weer zo’n beetje onbereikbaar. Heb je zeker gelezen in het clubkrantje hè, dat de kampioensvlag dan zo langzamerhand wel uit de mottenballen kan worden gehaald.”

Sjaan over de “gezonde ziekte” in een damesteam: “Bijna ons hele team is getrouwd. Jannie van Ham, Ria de Roos, Jennie Boot, Hilda van Wijk. Alleen Hilda heeft nog geen kinderen. Mooi voorbeeld: d’r was niks van uitgelekt dat Ria de Roos verleden jaar al vier maanden zwanger was. Deed ze gewoon mee in een belangrijke wedstrijd en vertelde ze het na afloop in de kleedkamer. Wij later op een training roepen van “pas op, moeder”. Zo blijf je lachen in de ploeg.”

De hotels

Nogmaals over het buitenland: “Als we op trip gingen, vormden we ploegjes, je weet hoe dat gaat. Met Blue Stars (tegenwoordig Fiat Stars) zaten we ’s in Krakau. Een week spelen, beetje rommelen in de stad. Ja, d’r zaten nogal wat blonde dames in de ploeg, dan zag het om het hotel heen zwart van de mannen. Soms dacht je dan wel eens, nou, met die man zou ik wel eens …….. Maar dat was er mooi niet bij hoor. Zei ik altijd, ik versta je niet ouwe. Kom morgen maar terug, eerst vanavond basketballen. Meestal moesten we met z’n allen naar een oudheid, een museum of zo. Ben ik niet zo vóór, maar ja, dat hoort in het buitenland bij het ritueel. In de hotels heb ik wel ontzettend gelachen. Kwam je op je kamer terug, lag alles overhoop. Je bed omhoog, alles ontruimd, de duvel en z’n ouwe moer overhoop. Dan hoorde je ze op alle kamers giechelen. Nee, m’n beste mop schiet me niet zo gauw te binnen. Die vertel ik later nog wel ‘es, hou je tegoed”.

Eerzucht houdt Ton Boot aan de gang

Een leuk interview met Ton Boot uit 1972, met nog altijd raakvlakken met het heden.

Ton Boot, 31 jaar, leraar M.O. lichamelijke opvoeding aan de Amstelveense Technische school, heeft deze week een mijlpaal bereikt. Gisteren speelde hij tijdens het achtlandentoernooi in de Bulgaarse hoofdstad Sofia zijn honderdste interland. Voor het vertrek hadden wij in zijn gezellige flat aan de Amstelveense Populierenlaan een gesprek met de “lastige jongen” uit de basketballwereld.

Ton Boot over voorbereiding en begeleiding:

“Bij de nationale ploeg wordt veel meer gedaan dan bij de clubs. Er zijn een arts, een masseur-verzorger en een teamleider en als je problemen hebt, van welke aard ook, dan kun je altijd bij iemand aankloppen. Dat is belangrijk. Jammer is evenwel dat een dergelijke situatie zich alleen voordoet bij belangrijke evenementen, zoals nu tijdens de voorbereiding op het Pré-0lympisch-Toernooi. Daarna valt het weer snel weg. Het punt is, dat we te weinig internationaal contact hebben. Voor dat voor Olympisch Toernooi trainen we in totaal zes weken, maar eigenlijk hadden we twee jaar geleden al van start moeten gaan. Dat zou vooral voor de jonge spelers van groot nut zijn geweest. De Oost-Europese landen zijn al jaren bezig. Die stilstand van twee jaar betekent in feite een achterstand van vier á vijf jaar.”

Toon Boot over trainen:

“Als topsporter moet je veel trainen. Gemiddeld train ik twee á drie keer per dag: Ik heb daarvoor een soort schema opgesteld met mezelf als het ware als tegenstander. Trainen is voor de meesten de grootste afknapper, maar het balletje in de basket mikken vereist nu eenmaal oefening. Het gebrek aan een volledige inzet is mijns inziens de voornaamste reden dat het Nederlandse basketball kwalitatief weinig goede spelers telt. De kwaliteit is latent wel aanwezig, maar de spelers zijn er zich nog niet van bewust dat je alleen maar kunt winnen als je de bal door dat netje kan gooien. Ik heb door oefening een schotpercentage van vijftig procent bereikt en dat is hoog.”

Ton Boot over trainers:

“De functie van trainer en coach in één persoon verenigd is het meest ideale. Bij Fiat Stars verkeren we in de ongelukkige omstandigheid dat Hans Perrier de coach is en ik de trainer ben. Die situatie is uit nood geboren. Ik zit dan weer in de verhouding trainer-speler, dan weer die van speler-speler.

Het is van het jaar voor het laatst. Jan Bruin (Transol RZ) vind ik een ideale trainer-coach, hoewel ik zijn standpunt over het opnemen van Amerikanen in de ploeg niet deel.”

Ton Boot over de Amerikaanse invloed in het Nederlandse basketball:

“Het gebeurt inderdaad, zoals Bruin vreest, dat de Amerikanen de plaats van de Nederlanders gaan innemen. Maar ik zeg: dan moeten die jongens maar harder gaan trainen. De Amerikanen hebben aan ons basketball een nieuwe dimensie toegevoegd. Het spel is veel harder geworden en spectaculairder. Dat is wat het publiek wil: spektakel. Van die hardheid en vooral van die explosiviteit leren de Hollanders. De vrees dat de Amerikanen zullen gaan overheersen, deel ik niet.”

Ton Boot over eerzucht en populariteit:

“Ik ben beslist eerzuchtig. Die houdt me op de been. Ik heb er wel eens over nagedacht: waarom blijf je zolang spelen? Ik geloof dat het eerzucht is. Het is gewoon heerlijk dat er mensen naar je kijken en van je spel genieten. Populariteit vind ik erg leuk. Ik heb een paar prijzenkasten vol staan en daarbij zijn prijzen van toernooien, waarin ik tot beste speler ben uitgeroepen. Dat streelt me.”

Ton Boot over wilskracht en talent:

“Ik geloof wel dat ik aanleg heb voor basketball. Ik ben vrij alert voor nieuwe dingen en daardoor kan ik het nu op mijn 31e jaar nog altijd bijbenen.

Nieuwe dingetjes en schijnbewegingen neem ik meteen in me op en ik ga net zo lang oefenen, tot ik ze volkomen beheers. Dat is lang niet altijd een kwestie van talent. Daar komt ook het denken aan en over je sport bij.”

Ton Boot over topscorers en beste spelers:

“Ik sta nogal sceptisch tegenover het begrip topscorer. Ee topscorer hoeft lang niet altijd de beste speler te zijn, Ik zou liever andere maatstaven aanleggen om tot een bepaalde erkenning te komen. Bijvoorbeeld rebound, inzicht, passes, intercepties en schotkracht, dit laatste dan als onderdeel van het geheel. Als topscorer kun je het spel nadelig beïnvloeden. Je zult altijd je puntentotaal in de gaten houden en dan schiet je maar. Daarvan kan je team de dupe worden. Als beste speler beïnvloed je het totale spel en dat levert meer profijt op voor de ploeg.”

Ton Boot over de schorsing, die hem in ’65 na de interland tegen Oost-Duitsland twee seizoenen uit de nationale selectie hield:

“Achteraf gezien was het helemaal, mijn eigen schuld. Maar ja, de prestaties waren gering en dan ga je denken: kom laat ik nog maar wat genieten. We hebben de bloemetjes goed buitengezet. Ik stond daarom bekend.

Ik werd terecht geschorst. Dat vond ik erg vervelend, vooral omdat je het internationale contact, dat er bij Blue Stars nauwelijks was ging verliezen. Ik vind het Nederlands team nu veel belangrijker dan mijn eigen club. De erkenning van goed spel vind je mijns inziens alleen.”

Ton Boot over profbasketball en sponsors:

“Profbasketball in Nederland zal zich nooit zelf kunnen bedruipen. Zeker niet wat de publieke belangstelling betreft. We zijn wel op de goede weg, maar zelfs al zullen de wedstrijden door zo’n vijfduizend mensen worden bezocht, dan nog geloof ik dat dat te weinig zal zijn. Ben je echter in staat een sponsor voor je te interesseren, dan zit je goed. En de sponsor zelf ook. Ik ben ervan overtuigd dat de firma Levi’s Straus het geld dat het in Flamingo’s heeft gestopt, er zeker vijf keer heeft uitgehaald.

Gerrit Kok en zijn transfers perikelen

Nadat Gerrit Kok verhaalde over zijn levenslange schorsing voor het Nationale team, raakten we verder aan de praat. Na een tijdje kwamen we op zijn ook ‘breed uitgemeten’ transfers.

Dus besloten we beiden hier ook een verhaaltje van te maken, over zijn transfer van landskampioen Landlust naar het Belgische Racing White Brussel, zijn misgelopen transfer naar Racing Mechelen en de merkwaardige deal waar drie Belgische clubs bij betrokken waren. Wat hier gebeurd is, is wel typisch voor die tijd: “gewiekste club managers die het hoofd op hol proberen te brengen van jonge spelers zonder veel transfer-ervaring, die ook niet gewoon waren aan de grote sommen geld en ze werden in die tijd niet bijgestaan door spelers-makelaars of consultants om de zaken van deze jonge spelers te behartigen”.

Transfer van Landlust naar Racing White Brussel

Gerrit Kok, die in het seizoen 1962-63 556 punten in twintig wedstrijden verzamelde en met zijn ploeg weer triomfen vierde op een toernooi in Lier (België), had Bram Brakel de voorzitter van Landlust en coach Rob de Wit van de landskampioenen, direct na zijn onderhandelingen met de Belgen over zijn overgang in kennis gesteld. Kok (19 jaar) heeft van zijn elfde jaar af bij Landlust gespeeld.

Het bestuur van de basketball club Landlust zou Gerrit Kok – die na een gesprek met twee functionarissen van de Racing White Bruxelles, besloot naar de Belgische hoofdstad te verhuizen – voorshands geen overschrijving verlenen. Het was dan ook nog niet geheel zeker dat de productiefste basketballer van de landskampioenen en pivot van het nationale team het volgende seizoen voor Racing White Bruxelles zou uitkomen. Er waren bij het bestuur van de landskampioenen zoveel vragen gerezen, dat men eerst met de manager en de coach van Racing White Bruxelles een gesprek wilde hebben. Wanneer de vraagtekens dan weggenomen zouden worden, zou de negentienjarige basketball-matador van het bestuur van zijn club alle medewerking krijgen om zich van een goede toekomst te verzekeren.

Koks vereniging, Landlust, bemoeide zich toen met de zaak, stelde de overeenkomst met de minderjarige speler als niet bindend te beschouwen, hervatte de onderhandelingen en wist tenslotte voor haar lid een contract af te sluiten, dat hem tot duurste speler van België maakte.

Niet doorgaan van de transfer van Racing White naar Racing Mechelen

Racing White Brussel werd in het seizoen 1963-64 gecoached door Guy Van den Broeck , een trainer/coach met veel aanzien die de mooie jaren van het Antwerpse in het begin van de jaren 60 had helpen maken. Het is ook Van den Broeck die Kok (samen met Van Hoof) is komen halen in Nederland.

Met die bekende Nederlander moest Racing Brussel dus voor de titel gaan. De resultaten vielen echter tegen en Guy van den Broeck werd in het midden van het seizoen bedankt voor de bewezen diensten, maar werd onmiddellijk aangeworven door Racing Mechelen, de dominerende club in die tijd met onder meer Willy Steveniers in hun rangen.

Guy van den Broeck geloofde nog altijd heel erg sterk in de kwaliteiten van Ger Kok en wilde hem absoluut als één van de twee buitenlanders bij Racing Mechelen hebben en heeft er toen alles aan gedaan om hem over te halen met als argumenten, “binnenkort een jaguar met privéchauffeur” en nog meer van die onzin. Ger Kok ging akkoord, en heeft dus zijn transfer aangevraagd, vermoedelijk in juli/augustus 1964.

De Nederlander heeft echter te maken met ene zekere heer Van Hooff, zijn baas, die als een expert in de reglementen bekend stond. De gewiekste Brusselaar vond altijd wel een regeltje om zijn club voor onheil te behoeden. Mocht hij eens tevergeefs zoeken, dan doet hij wel het voorstel om aan het artikel een zinnetje toe te voegen
Enkele dagen of weken later werd deze transfer aanvraag te niet gedaan, want bij de Belgische Basketballbond werd een briefje ontvangen waarin Gerrit Kok’s zijn handschrift geschreven stond: Hierbij zie ik af van mijn transfer naar ………….. getekend door Gerrit Kok. De stippeltjes waren overschreven door de woorden ‘Racing Mechelen’.

Wie zat daarachter? Louis Van Hoof natuurlijk. Waarschijnlijk had Kok dit document al een jaar eerder laten schrijven en ondertekenen, maar Gerrit had daar geen herinnering meer aan.

Racing Mechelen is dan naar de bond gestapt, Gerrit Kok werd “verhoord” en uiteindelijk was zijn aanvraag toch geldig, want het is toch de wil van de speler die uiteindelijk de doorslag moet geven.
Gerrit Kok is toen naar Mechelen verhuisd om zich perfect te laten integreren (waar nog gehoord), en moest vertegenwoordiger worden in meubels (toen een Mechelse specialiteit).

Van Hoof wees Kok erop, dat hij dan een jaar moest wachten. Dat was eenmaal voorschrift, wanneer een speler zonder instemming van het bestuur wilde verhuizen. Kok (1.97 meter) vreesde dan ook, dat Van Hoof een transfer voor veertienduizend gulden per jaar naar de Mechelse kampioensploeg onmogelijk zou maken. „Deze man vond altijd wel een regeltje tussen de regels, waarop hij me pakken kan”, vertelde Kok. Hij weet niet meer of hij in deze periode (dus seizoen 64-65) beroep heeft moeten doen op het bewuste artikel – “niet spelen gedurende jaar en vrije transfer” – Gerrit herinnert het zich in ieder geval niet meer dat hij niet heeft gespeeld; volgens hem is hij dat seizoen gewoon blijven doorspelen bij Racing White Brussel.

Einde 1964, begin 1965 wordt Gerrit uitgenodigd door Louis Van Hoof en de CEO van de hoofdsponsor van Racing White Brussel. Zij bieden hem schitterende voorwaarden en Gerrit bezwijk onder deze voorstellen. Ze laten dit natuurlijk aan de bond weten, die nota neemt, en zijn transfer aanvraag naar Mechelen annuleert, maar die hem wel een etiket geeft voor zijn wispelturige houding in deze transfer
Zie daar het relaas van zijn gemiste transfer. Met de ondersteuning van een goede spelersmakelaar of consultant zou dit waarschijnlijk heel anders verlopen zijn, maar Gerrit vindt het achteraf gezien een interessante herinnering en heeft er veel van geleerd.

Het transfer-verhaal naar Royal IV Brussel en Standard Luik

Racing White maakte een ernstige crisis door. De sponsor had zich, na een affaire die sterk leek op het schandaal bij de Parijse voetbalclub Stade Française, teruggetrokken. De ploeg beschikte daardoor plotseling over trainer noch coach.

Het drukte hem daarom ook niet, ook al stond er inmiddels een gezin achter hem, dat Racing White hem de laatste maanden slechts een klein gedeelte van zijn imponerend sportsalaris kon betalen. Gerrit had toen net een baan gevonden als systeem-engineer bij IBM. Ze hadden op dat moment echt niet meer veel kas,” vertelde Kok. Dat kwam wel weer in orde. Maar het was prettig dat ik er toen niet meer afhankelijk van was, maar officieel waren in die tijd in België alle spelers amateur. Alle betalingen waren illegaal, dus stond je zwak.

“Het was in de gehele organisatie toen een rommeltje”, aldus Gerrit Kok. “Als we in een wedstrijd de bal te pakken kregen, begon iedereen dom te hollen. Er zat geen systeem meer in de ploeg.” Dat alles stoorde Gerrit Kok nog meer, vooral als hij als gastspeler bij het Haarlemse Flamingo’s tijdens een toernooi in België, zich direct ontpopte als beste speler en topscorer werd met 70 punten in twee wedstrijden.

Léon Wandel, manager van Royal IV Brussel en later ook nog een hoge functionaris bij de Europese FIBA, wilde hem toen nog steeds als tweede buitenlander hebben, maar Louis Van Hoof lag weer dwars en er was weer sprake van een jaar zonder spelen te blijven, om daarna een “vrije transfer” te krijgen. Leon Wandel heeft hem toen zelfs tennislessen aangeboden om hem fysisch nog wat bezig te houden.

De oplossing kwam echter van Albert Tilkin, de manager van Standard Luik. Hij was ook in Kok geïnteresseerd, de beide clubs maakten een deal met Racing White Brussel en samen hebben ze Gerrit Kok dan aangekocht, Deze deal leverde Racing White een bedrag van 30.000 gulden op, maar dat transferbericht veroorzaakte in die tijd een storm in het toch altijd al roerige Belgische basketballwereldje.

Standard Luik en Royal IV Brussel maakten een onderlinge afspraak dat Gerrit één jaar in Luik zou spelen en daarna voor Royal IV uit zou komen; en zo geschiedde dus.

Gerrit Kok: “Het verhaal over zijn levenslange schorsing voor het Nationale team”

In april 1965 werd Nederlands beste speler van de jaren zestig door de NBB voor het leven geschorst om nog voor het Nederlands team uit te komen.

Nu wilde Gerrit Kok graag zijn versie te vertellen, waar hij 56 jaar over gezwegen heeft. De afgelopen weken hebben we regelmatig contact gehad, met het idee om een biografie over zijn leven te schrijven. In die gesprekken kwamen we regelmatig terug op zijn “levenslange schorsing voor het nationale team”.

De Nederlandse en Belgische dagbladen openden hun sportkatern in april 1965 met onderstaande versie:

Wantrouwende Ger Kok uit oranje geweerd

Het grootste Nederlandse basketball talent, Ger Kok, zal niet meer in de nationale ploeg mogen spelen. Nooit meer. Dat is de straf van het hoofdbestuur voor zijn weigering op 13 januari in Deurne oranje te helpen in de strijd tegen de Belgen. De 21-jarige Kok, die door zijn schutterscapaciteiten Landlust tweemaal landskampioen maakte, maar prompt bezweek voor financieel gunstige aanbiedingen uit België, speelt nu voor Racing White Bruxelles. De Amsterdammer voelt nu echter meer voor Racing Mechelen, dat Koks diensten nog royaler wil honoreren.

Over zijn hoofd vochten de clubs de affaire uit. Kok had moeite zijn houding te bepalen en dat resulteerde in een berisping van de Belgische bond, een uitsluiting voor het leven van het spelen in het Nederlands team door de verbolgen Nederlandse bond – die Kok in deze periode wilde opstellen in een interland tegen België, wat hij verward weigerde – en een bestendiging van zijn contract bij Racing White.

“Weigeraar” dacht aan financiën in België

Van Hooff wees Kok erop, dat hij dan een jaar moest wachten. Dat is eenmaal voorschrift, wanneer een speler zonder instemming van het bestuur wil verhuizen. Inmiddels is de “wachttijd” op twee jaar gesteld, omdat tal van prominente spelers naar rijke clubs overstappen. De boomlange Kok (1.97 meter) vreesde dan ook, dat Van Hooff een transfer voor veertienduizend gulden per jaar naar de Mechelse kampioensploeg moeilijk zou maken, wanneer hij voor de Nederlandse ploeg uitkwam. “Deze man vindt wel een regeltje tussen de regels, waarop hij me pakken kan”, vertelde Kok toen hij op de tribune naar België – Nederland zat te kijken.

Bondsvoorzitter P. Storm geeft het besluit van het hoofdbestuur de volgende toelichting mee om legendevorming te voorkomen. “In verband met de bepalingen in de Belgische reglementen zou het een speler, die van club wenst te verwisselen niet zijn toegestaan zonder toestemming van zijn vereniging aan wedstrijden van andere selecties of clubs deel te nemen. De NBB besprak het geval ‘Kok’ met de Belgische bond, die meedeelde, dat het opstellen van Ger Kok voor deze geen enkele financiële consequentie zou hebben. Van de heer Van Hooff (manager Racing White Bruxelles) werd de toezegging ontvangen Kok niets in de weg te leggen. Wie schetst onze verbazing en verontwaardiging, toen Kok ondanks al deze toezeggingen niet bereid bleek de Nederlandse formatie in Deurne te versterken. Hij durfde daarbij nog aan te voeren geen vertrouwen te hebben in de beloften van de Belgische bond en van zijn werkgever. Daar ons is gebleken, dat deze speler het nog heeft doen voorkomen, dat zijn niet-spelen het gevolg zou zijn van onvoldoende garanties heeft het bondsbestuur besloten, dat Koks weigering een vrijwillige beslissing is geweest. Daar hieruit is gebleken, dat hij uit andere overwegingen, die wij dus niet kennen, er de voorkeur aan geeft niet te spelen voor de nationale ploeg, heeft, het bondsbestuur besloten op deze speler nimmer meer een beroep te doen. Vervolgens dankt de voorzitter de Belgische bond voor de medewerking in een netelig probleem.

In de gesprekken die ik met Gerrit Kok de afgelopen weken had, vertelde Gerrit een compleet ander verhaal.

“Fred, hierbij mijn versie of tenminste wat ik me herinner van de schorsing voor Oranje. Op een kwade dag kwam Jan Janbroers of Kees Burgert naar me toe tijdens een training van de nationale ploeg om me te zeggen, dat ik geschorst was en ze gaven volgende reden: het Nederlands Olympisch Comité (NOC) had vernomen dat een speler van de nationale ploeg betaald werd en dit was in die tijd tegen de principes van het NOC. Daar het NOC de nationale ploeg sponsorde, hadden zij ook de macht om deze beslissing te nemen.

Nu ik dit lees vind ik het inderdaad een vreemd verhaal en de versie die jij aanhaalt, transfer en twee jaar zonder spelen, lijkt mij wel logischer. Ik werd ook niet op een officiële manier op de hoogte gesteld van deze schorsing en heb enkele weken later contact opgenomen met de bondsvoorzitter P. Storm om hem te vertellen dat het toch het minste is dat ik officieel geïnformeerd zou worden. De enige woorden die hij me toen adresseerde waren: “Zo, nu weet je het tenminste”

Dit is dus mijn versie van het verhaal en inderdaad lijkt mij die NOC-versie nogal vreemd, vandaar dat ik schreef dat ik na 60 jaar eindelijk de waarheid heb vernomen. Wat betreft het gedeelte officieel informeren en antwoord van de bondsvoorzitter ben ik wel zeker van mijn stuk.”

Ondertussen probeerden bestuursleden van de Belgische basketballclubs Gerrit Kok over te halen om naturalisatie aan te vragen, wat voor hem de deur zou openen naar het Belgische nationale team.

“Ik heb hun toen duidelijk gemaakt daar niets voor te voelen. De kans was groot dat ik dan in België alsnog in dienst moest”, verklaarde Kok, en ik had geen tijd om voor het Belgische team te trainen en te spelen. Trouwens mijn vakantie besteden aan een basketballtrip wilde ik niet meer.” De twee laatste beweegredenen voorkwamen, dat hij zwaar tilde aan de levenslange straf in Nederland.

Het was jammer voor het Nederlandse team; meende coach Guy van den Broeck, de man die Racing Mechelen kampioen van België maakte en op wiens advies Kok naar België werd gehaald. Hij vertelde: “Met Kok had Nederland zijn vierlandentoernooi in november vorig jaar ongetwijfeld gewonnen”.

Ruim een jaar later vroeg de NBB of Kok terug wilde komen bij het Nederlandse team omdat ze een speler van zijn kaliber nodig hadden. Kok vertelde hierover: “Ondertussen was ik getrouwd, had ik een goeie job bij IBM en kon ik het me niet meer permitteren om nog één dag per week naar Amsterdam te reizen.”

“Er werd me ook gesuggereerd excuses te maken dan zou er wel iets aan de schorsing te doen zijn. Het interesseerde me eigenlijk toen niet zo veel meer, maar ik heb nooit mijn excuses aangeboden, omdat ik me niet schuldig voelde. Daarom heb ik deze uitnodiging helaas moeten afslaan.”

Jean van Nuys, onbekende grootheid verdwenen in anonimiteit

Tijdens mijn research voor het boek “Basketball in de jaren zestig”, stuitte ik op de naam Jean van Nuys. Een Nederlander die in 1958 tijdens het Kersttoernooi van de Blue Stars uitkwam voor de Belgische selectie van Brabant. We kenden het verhaal van Maarten Sleeswijk, deze werd in Argentinië geboren, waar hij leerde basketballen en via Frankrijk en Amerika in 1956 bij het Delftse Punch opdook en uitgroeide tot één van de betere centers van Nederland in de jaren vijftig en zestig.

“De kranten schreven over een uitzonderlijk basketball talent met een uitdagende speelstijl en een nimmer falend schot.”

Het bleek dat de ouders van Jean van Nuys in de jaren dertig waren vertrokken uit Amsterdam en zich hadden gevestigd in Brussel. Hier kwam Jean ter wereld. De verzamelde Nederlandse basketball insiders vroegen zich vele malen af waarom hij niet de Belgische nationaliteit verkregen had, maar het was een feit dat de Belgen in die tijd niet zo gemakkelijk als de Italianen en Spanjaarden buitenlanders naturaliseren. Hij sprak alleen maar de Nederlandse woorden ‘ja en nee’.

In de eerste wedstrijd van het kersttoernooi stonden de toeschouwers met open mond te kijken naar de verrichtingen van Jean van Nuys. De Belgische selectie met naast Jean van Nuys, ook de Belgische internationals Jean Buelens en Van Bavel en verder met gedegen spelers als Roosemont en Thienpont was een maat te groot voor het Amsterdamse Landlust dat eigenlijk na 44-14 vrij kansloos verloor met 83-52. De jongeling Jean van Nuys was de grote man aan de kant van de Belgen met 38 punten en was op geen enkele manier af te stoppen door Landlust.

Een leuk weetje: Bij Landlust maakte Nederlands grootste talent van dat moment, Ger(rit) Kok (14 jaar) zijn entree in de hoofdmacht van Landlust en bewees dat hij zeker eerste viool zou kunnen spelen in de hoofdklasse. Het werd toen al duidelijk dat Landlust bijzonder veel plezier aan deze veertienjarige zou beleven. Hij werd aan de kant van Landlust topscorer met 22 punten.   

In de tweede groepswedstrijd hadden de Belgen het lang moeilijk tegen het Amerikaanse team SHAPE (de winnaars van vorig jaar), maar een ontketende Jean van Nuys nam zijn Belgische ploeg in de tweede helft bij de hand door driemaal achtereen te scoren en zo zijn team naar de finale te loodsen. In deze wedstrijd kwam de Nederlander tot 22 punten.

Prachtige finale

De finale was qua basketbal] een prachtige eindstrijd. De Carli kreeg alras het publiek op zijn hand. Door zijn sublieme spel was de Amerikaan Inniss voor rust in staat 17 en na rust 11 maal te scoren. Zelfs de meesterhand van Van Nuys (scoorde 14 punten) was van streek en kon er niet voor zorgen, dat de Belgen de snel opgelopen achterstand ongedaan konden maken. Bovendien bleek de verdediging van de Italianen zo sterk, dat Brabant niet tot het hanteren van haar sterkste wapen, de break, kon komen. Toen in de tweede helft achtereenvolgens Van Bavel, Roosemont, Thienpont en Buelens met een maximum aan persoonlijke fouten het veld moesten ruimen, was de wedstrijd helemaal gelopen en pakten de Italianen een dik verdiende toernooiwinst 95-60.

De pers wees als de beste vijf toernooispelers in volgorde aan: Inniss (Motomorini), De Carli (Motomorini), Sterker (Landlust), Buelens (Brussel) en v. Nuys (Brussel). De prijs voor de topscorer ging naar Jean van Nuys van Brussel (74), gevolgd door Inniss (70). De prijs voor de beste coach was voor Maria Biller-Nagy (Heidelberg) en Bram Brakel van Landlust kreeg een eervolle vermelding.

Door deze berichten was ik toch nieuwsgierig wie deze speler eigenlijk was en waarom hij nooit geselecteerd was voor het Nederlandse team. Ondanks verwoede pogingen in de digitale kranten archieven in Nederland en België kon ik verder niets over hem vinden. Ook een gesprek met Ger Kok leverde niets op, alhoewel de naam hem vaag bekend voorkwam. René Aerts, de beste Belgische basketballer in de jaren zestig, kon me ook niet verder helpen. Een belletje met Lucien van Kersschaever (o.a. ex-bondscoach van Nederland) maakte me ook niets wijzer, hij kende wel spelers uit Brussel, maar de naam Jean van Nuys zei hem ook niets.

Dus op dit moment zit ik even op een dood spoor, eigenlijk wel raar, iemand die plotseling de krantenkoppen haalde, om daarna weer compleet in de anonimiteit te verdwijnen.

Van The Arrows naar Transol RZ

Titel is leuk, maar gezelligheid is weg

Het mag eigenlijk een wonder heten dat de Rotterdamse basketball vereniging “The Arrows” nog bestaat. Aan het eind van de jaren zestig leek “vrouwe Fortuna” zich volledig af te willen keren van de pioniers van het Rotterdamse basketball. Het dieptepunt in de roemvolle historie van The Arrows was in 1969, de degradatie uit de landelijke N.B.B. competitie naar het district Rotterdam. De vereniging The Arrows mag dan wel één van de grondleggers geweest zijn van het basketball in de Maasstad, bepaald een stimulerende werking is er van deze “club uit Kralingen” nooit uitgegaan. Wim Hakman, de huidige voorzitter van The Arrows en van Transol RZ, is de eerste om dat volmondig te beamen. “Wij waren een club van basketballers, die zelf wilden spelen, maar er niets voor voelden om ons ook bezig te houden met het runnen van een grote vereniging.”

Wij hebben nooit iets gedaan om de jeugd aan ons te binden. In Rotterdam waren wij heer en meester, zonder enige concurrentie, met een formatie die door iedereen gevreesd werd, want er kwamen altijd wel weer spelers op de proppen, die ons hielpen onze status te handhaven. Tot 1969 dan, want toen verdween Arrows uit de publiciteit en ging onder in de “massa” van het district Rotterdam. “Het was op het laatst zo, dat “Amsterdam ons beleefd verzocht om ons maar uit de landelijke competitie terug te trekken. Voor de image van de bond, waren wij blijkbaar geen goed visitekaartje. Ik heb toen gezegd, speel ons er maar uit. Dat is dan ook gebeurd. Maar als het op jaartallen aankomt, kan ik je er drie opnoemen, die en voor The Arrows en voor het Rotterdamse basketball eigenlijk van veel groter betekenis zijn geworden”.

Wim Hakman begint dan een boeiend verhaal over de bezetting, in 1942, toen onder de ogen van de bezetters in de sportzaal van Huib van Maastrigt in Kralingen, een aantal fervente sporters deze Amerikaanse sport gingen beoefenen. Basketball was in Nederland wel bekend, maar blijkbaar nog niet tot Rotterdam doorgedrongen, zodat de regels maar uit de encyclopedie werden gehaald.

“We speelden daar met ploegen, die zich onder de naam Mustangs, Spitfires of Arrows presenteerden en bij een inval gingen we breeduit rokend voor de aanplakbiljetten staan”. Ikzelf speelde toen nog niet bij Arrows maar bij de “Alligators”. Grote mannen beoefenden toen deze sport. We zagen Ger van lersel, de bekende kunstschilder, de eerste TV-dominee Cock de Vries en ook de voetbal-internationals Ger Dunk en Kees Mijnders speelden geregeld”.

Na de bezetting heeft het tot 1949 geduurd eer er weer sprake was van geregeld basketball en langzaam aan veroverde Arrows die vooraanstaande plaats in de Nederlandse basketballwereld. “We leverden voor het Nederlandse team spelers als Ton Koemans, Rinus de Jong, Hans Blankert, Bill Prins en Frans de Haan. Maar op een gegeven moment was het voorbij”.

We hebben toen nog wel getracht, via fusies met o.a. Rotterdam-Zuid onze toppositie te handhaven, maar we vonden geen weerklank. Tot in 1972 de nood zo hoog gestegen was, dat we min of meer in Transol RZ zijn opgegaan en nu als schaduwvereniging van die club verder bestaan. Wim Hakman zegt het toch wel met enige spijt. De grote wedstrijden in Emporium leven nog bij hem, niet zozeer meer de verrichtingen van het huidige Arrows. “Ik vond het leuk, dat ze kampioen zijn geworden, maar de gezelligheidsvereniging van vroeger vind ik er niet meer terug. De tijden zijn veranderd. Transol RZ heeft de plaats van The Arrows ingenomen. Vandaar dat we de “basketballgek” Wim Hakman nu daar aantreffen. Want voor hem betekende het basketball toch wel meer dan alleen het beoefenen van deze sport. Vanuit Arrows is hij de grote animator van het Rotterdamse basketball geworden.

Een stukje uit de roerige basketball tijden in de jaren zeventig

Huurspeler Horton verwoest eigen basketball carrière

Op Transol’s spelersbank plofte hij uitgeblust neer, opnieuw uit het veld gestuurd, een gebroken Amerikaan van tweemetervier. Deze keer velde Fred Hortons zwarte vuist meer dan een tegenstander. Nu immers verwoestte hij met zijn onbeheerste maar welgemikte vuistslag zijn eigen carrière in Nederland.

Fred Hortons hoofd hing daarom al begrijpend en moedeloos tussen zijn machtige schouders, toen Levi’s lange man Harry Kip nog dizzy overeind moest krabbelen. Voor vechtersbaas-bij-herhaling Fred Horton is het doek gevallen, hem staat met grote spoed verbanning uit Neerlands basketballrijen te wachten, verbanning naar zijn vaderland Amerika.

Daarom werd het zo’n aangrijpend moment in de subtopper Levi’s tegen Transol. Schrijnend en ontroerend, een minuut of zes voor het einde, toen niemand meer naar de verguisde omkeek. Toen Deborah Horton haar mans bezwete rug met een trainingsjacket bedekte – een mantel der liefde. Transol’s coach Jan Bruin over het ontbreken van enige geestelijke opvang: “Er was tenslotte een wedstrijd aan de gang die we wilden winnen.” Zo is de basketballerij anno 1973 – the game must go on – ook zonder Fred Horton. Een in ons land sociaal onaangepaste en nu door “eigen schuld” ook maatschappelijk ontspoorde basketball avonturier uit de VS.

Later, als Horton zijn fanatisme heeft weg gedouched, weegt hij de consequenties. Hij knauwt zijn Engels met een Amerikaanse accent uit Noord-Carolina, zegt bitter: “Waarom die vuiststoot? Omdat die Harry Kip me de hele tijd op mijn rug hing.” Harry Kip, trots en smalend: “Geleuter. Horton kon gewoon niet hebben, dat hij nauwelijks aan scoren toekwam.”

Ongelukken

Zo leek die woeste klap speltechnisch wel verklaard, maar de echte aanleiding komt bovendrijven, als Fred Horton (24, getrouwd met Deborah, dochtertje Angela van anderhalf) in zijn hart laat kijken. Een diep teleurgestelde man. Horton: “Ik heb heimwee. Begrijp me goed, Nederlanders zijn aardige mensen, maar wij kunnen hier niet wennen. Ik kom uit een milieu, waar we erg op elkaar zijn aangewezen. Hier laat iedereen ons alleen aanmodderen. Als ik nou word weggestuurd, maakt ons dat niets uit. Deborah en ik waren in ieder geval toch naar huis gegaan. Zoals scheidsrechters hier op het spel reageren, dat maakt me soms wild. En dan gebeuren er ongelukken, ik weet het.”

Na de eerdere vechtpartij met zijn landgenoot Tom Chestnut van Fiat Stars (waarvoor Horton juist afgelopen vrijdag een definitieve schorsing van vier wedstrijden kreeg!), nu weer een strafzaak, het einde van een mislukking. Met zijn land- en rasgenoot Jones (nog onlangs door Transol aangetrokken als vervanger van de Yankee Tim Shea) wil Horton weg. Zonder pijn laat deze basketballprof zijn Rotterdamse onderdak en zijn salaris van netto twee mille per maand achter. Zijn coach Jan Bruin: “Het is moeilijk met die jongens. Enerzijds hebben ze een diep ingeworteld wantrouwen tegen alles wat blank is, anderzijds lopen ze te verpieteren als je ze helemaal aan hun lot overlaat. Maar echt aanpassen willen ze zich niet.”

Terreur

Met de plotselinge groei van de basketballsport lijkt als randverschijnsel het geweld op en rond de velden toe te nemen. In het afgelopen weekeinde hebben het bestuur en de sponsor van Transol/RZ adequaat gereageerd door de vechtende Amerikaanse huur-speler Fred Horton zijn wegzending aan te zeggen. Een andere, moeilijk te beteugelen vorm van geweld komt van voornamelijk het jeugdige publiek van de Delftse eredivisieclub Raak/Punch.

Het moet de Nederlandse Basketball Bond, de club en zijn sponsor echter duidelijk zijn, dat straat- of sportbalterreur door basketbailfans niet getolereerd kan worden. Als de club Raak/Punch zijn eigen publiek niet in de hand kan houden, moet de bond voor de toekomst preventief handelen. Een maatregel om Raak/Punch een of meer duels zonder publiek te laten spelen of winstpunten in mindering te brengen, zal zo langzamerhand overwogen moeten worden.

Het lachen om Jan Loorbach is de basketballers nu vergaan

Een leuk stuk over voormalig Donar en Transol RZ speler Jan Loorbach.

Ze vonden me eerst een bezienswaardigheid

Zes jaar geleden stelde de toenmalige bondscoach Jan Janbroers de FAC-spelers Jan van der Weert en Cor Riewers op in het Nederlands team. Basketballend Nederland van toen (Amsterdam en naaste omgeving) bulderde va het lachen en verklaarde Janbroers voor gek. Hoe kon immers een speler uit een gewest doordringen tot de vaderlandse top? Vier jaar geleden verhuisde Erik van Woerkom van Juventus-Schiedam naar de ere-divisieploeg Punch en ook direct naar het Nederlandse team. Er werd al minder geprotesteerd. Van Woerkom zou immers een grote kunnen worden. Niet-Amsterdamse spelers werden nu eenmaal als onkundig beschouwd. Maar basketballend Nederland zou een jaar later helemaal versteld staan. Jan Loorbach (22) is met 2.16 m. de langste speler in Nederland. Bij zijn eerste verschijning in Amsterdam (Loorbach woont en speelt in Groningen) werd hij nagewezen en uitgelachen. Zo’n potsierlijke figuur had de van eigenwaan opgeblazen Amsterdamse basketballiefhebber nog nooit gezien. Zo verschrikkelijk lang en nog uit Groningen ook. Jan Loorbach: “Men vond mij koddig, vreemd en een bezienswaardigheid”.

“Het werd me, geloof ik, kwalijk genomen om zo lang te zijn. Ze vonden zoiets onsportief”. Niet alleen het publiek moest wennen aan Loorbach, ook zijn medespelers. Egon Steuer, opvolger van Jan Janbroers, haalde Loorbach naar Amsterdam voor de centrale training. Steuer, die in Tsjechoslowakije was opgegroeid met het fenomeen “lange speler” was blij met Looirbach en ging consequent aan zijn scholing werken. De basketbeginselen waren Loorbach bijgebracht door de toenmalige coach van Donar, Karel Bakker.

Doelwit

Loorbach: “Ik weet nog goed dat mijn medespelers het vreemd vonden om met zo’n lange vent te ballen. Ik werd in het begin over het hoofd gezien(!). En misschien wel terecht, bedenk ik nu. Ik liet te veel ballen uit mijn handen vallen en was onzeker”. Loorbachs lengte was in die tijd en nu nog in mindere mate doelwit voor allerlei opmerkingen. Veel daarvan misplaatst en sommige gewoon grof. Loorbach zag zelf zijn lengte als een duidelijke pré voor wat betreft basketball. Loorbach daarover: “Ik redeneer zo, als iemand op blote voeten en ongetraind de honderd meter in 10.9 sec. loopt, kan hij op spikes en met training tot misschien wel tien seconden blank komen. Er was van mij dus een basketballer te maken. Tweemeterzestien stond er al.”

In Heerlen, tegen Tsjechoslowakije, debuteerde Loorbach in het Nederlandse team. Door rebounds weg te plukken voor de gerenommeerde Tsjech Jiri Zidek, speelde hij zich direct in het nieuws. Een dag later in Zwolle, weer tegen de Tsjechen, kwam hij er niet aan te pas en prompt liet iedereen de lange en onhandige Groninger vallen. Dit was een miskleun en Loorbach’s bestaan als internationaal leek van korte duur. Maar Loorbach ging sterk vooruit en met hem, of beter door hem, zijn club Donar. Van districtsploeg werd de landelijke eerste klasse snel bereikt. In mei 1969 stond Loorbach in het basisvijftal van de nationale ploeg in een zeer belangrijke wedstrijd tegen Roemenië. Nog geen vier maanden later werd hij uit de nationale selectie gezet, “omdat Steuer vond dat landelijke eerste klassers niet genoeg ervaring hadden”. Maar door het spelen in de eredivisie vierde Loorbach zijn tweede rentree in het Nederlands. In dezelfde eredivisie is Loorbach thans de gevierde man. Wat de lachers van het eerste uur niet voor mogelijk hielden is gebeurd: Loorbach is topscorer van die eredivisie. Na 17 wedstrijden heeft hij 434 punten gescoord en staat daarmee negen punten en een wedstrijd minder gespeeld voor op zijn naaste belager, Erik van Woerkom. Loorbach is van een weifelachtige speler uit het nauwelijks geaccepteerde Groningen tot een sterke en algemeen gewaardeerde pivotspeler geworden. En hij heeft Donar meegetrokken naar een behoorlijke eredivisieplaats. Weer is Loorbach terug in de nationale selectie. Ditmaal onder leiding van Harry Kippers gaat hij proberen aanstaand weekeinde tegen Denemarken en later in de maand tegen Frankrijk ook internationaal door te breken: Maar Loorbach heeft in die selectie niet alleen een plaats als speler. Met twee teammakkers heeft hij zich ingezet om de besprekingen omtrent diverse sociale voorzieningen met het bondsbestuur van de grond te krijgen. Loorbach: “Er heersten op een aantal fronten wat grieven. We vonden bijvoorbeeld dat de organisatie van de nationale ploeg niet was mee geëvolueerd met die van de ontwikkelingen bij de clubs.” Daarnaast waren er problemen van loonderving, zakgeld, verzorging en een begeleidende arts. Er volgden gesprekken met het bondsbestuur. Hierover zegt Loorbach: “De houding van de bond is ons erg meegevallen. We hebben constructief gepraat met begrip voor elkaars problemen. Wij zijn nu wat nader tot elkaar gekomen. We zijn niet alleen spelers meer, maar worden nu als volwassen mensen beschouwd, terwijl wij wel hebben ingezien dat zij ook hun best doen. Vergeet niet dat de NBB beperkte middelen heeft”. Waaraan hij lachend toevoegt: “En dan ben ik nog de duurste speler in Nederland. Kijk maar eens naar mijn reiskosten. Groningen iedere keer weer.”

Beter

De gesprekken met het bondsbestuur zullen er voor zorg dragen dat binnen het Nederlandse team de stemming nu beter is. Toernooien worden niet meer als schoolreisjes ervaren, terwijl de kinderlijke kliekvorming verdwenen lijkt. Na de interland tegen Denemarken resten Loorbach nog drie competitiewedstrijden met Donar. In juni hoopt hij zijn rechtenstudie te beëindigen en dan te verkassen. Hoewel hij emotioneel vrij stevig aan Donar kleeft, lijkt een oversteek naar het westen zeer waarschijnlijk. Welke club dan profijt zal kunnen trekken van de eredivisietopscorer is de vraag. Jan Loorbach: “Laat ik vooropstellen dat als ik hier wegga, ik dat doe om me maatschappelijk te vestigen. Dat ik in het westen ergens onderdak bij een goede ploeg vindt is voor mij geen hoofdzaak. Ik wil spelen voor een goed resultaat. Ik ben ijdel en dus wil ik mezelf graag in een belangrijke rol zien. Ik word ook graag geconfronteerd met moeilijke situaties. Een nieuwe ploeg? Ach… het zou Rotterdam-Zuid kunnen zijn. Ik heb echter nog geen beslissing genomen.”

Akerboom: ”Aanpak basketball slecht”

Kees Akerboom is een voormalig Nederlandse basketballer die in de jaren zeventig en tachtig furore maakte bij met name EBBC uit ‘s-Hertogenbosch. Hij is meerdere keren tot beste speler van de Nederlandse competitie uitgeroepen en werd in 1979 opgenomen in een Europees All Star Team.

Tekenend voor de kennelijk onmisbare invloed van Amerikaanse spelers op het nationale basketbal is de veronderstelling, door de Nederlandse vedette Kees Akerboom naar voren gebracht, dat de équipe van coach Mol wel de eindronde van het Europees kampioenschap had bereikt, indien Sven Nater de gelegenheid was geboden naar Wenen over te komen. Nater is na Billy Walton, Amerika’s sterkste profbasketballer. Omdat hij in het bezit is van een Nederlands paspoort verstuurde Mol een uitnodiging. Het antwoord was dat Sven Nater zich niet van zijn verplichtingen – een serie van zes wedstrijden tegen Rusland – kon losmaken, maar dat zijn, ook lerende broer ruimschoots voldoende talent bezat om deel uit te maken van het Nederlandse team. Voor een invitatie aan diens adres was het echter inmiddels te laat geworden.

  Het valt niet te ontkennen, dat het spelpeil met de komst van de Amerikanen omhoog is gegaan. “Als speler trek je je op aan hun manier van basketballen. Bij de training al moet je veel harder knokken om een bal te krijgen, te houden of te spelen. Met de Amerikanen is het pure amateurisme uit het clubbasketball verdwenen”, aldus Kees Akerboom, die evenwel ook ernstige bedenkingen heeft met betrekking tot de uitheemse inbreng.

  “Het gevaar bestaat, zoals in België duidelijk is gebleken, dat de doorstroming van talent wordt geremd. De ontwikkeling, die door de bond wordt gestimuleerd, is zo, dat de topploegen met drie sterke Nederlanders en twee Amerikanen gaan spelen en dat de groei van de rest belemmerd. Met als gevolg, dat er geen breedte is. Wat heb je nu goed beschouwd in Nederland? Een nationaal team met Kales, Boot en Smit, jongens, die allemaal ouder dan dertig zijn. Bovendien bleek in Wenen, dat de Nederlandse ploeg zonder Amerikanen sterk terugviel. De durf te schieten verdwijnt bijvoorbeeld plotseling”.

  Het magere resultaat in de voorronde van het Europees kampioenschap kan vanzelfsprekend niet alleen worden toegeschreven aan niet-aanwezige Amerikanen. De evaluatie van het gebeuren heeft Akerboom tot een fors aantal andere conclusies gebracht.

  “De voorbereiding is verre van ideaal geweest. We hebben dan wel drie toernooien vooraf gespeeld, maar telkens gingen er andere spelers mee. Tijdens de werden nieuwe dingen uitgeprobeerd zonder dat je met een vaste kern tot een vast spelpatroon kwam. Uiteindelijk zijn het toch zo’n acht spelers, die het moeten maken.”

“Van een centrale training is geen sprake geweest. Er is voor Wenen eigenlijk niets georganiseerd, ook door de tegenwerking van de clubs. Altijd zijn er spelers, die niet in de gelegenheid zijn te komen. Maar ik denk, dat de animo heel wat groter zou zijn, als je 50 gulden vergoeding per training zou krijgen, hoewel ik ook zo wel zou gaan. Mol heeft erg weinig mogelijkheden”.

“Misschien ben ik bij Levi’s wel erg verwend, maar wat faciliteiten betreft is het bij de clubs veel beter geregeld dan bij het nationale team. We hebben maanden moeten vragen om een behoorlijke uitrusting. Er is nooit geld ergens voor en daar baal ik van. Zeker, als de bond met al die grote plannen rondloopt over kopen van een plaats in de eredivisie, een erg rare zaak, over de overschrijving – belachelijk, als amateur zou ik 3000 gulden moeten opbrengen, dit soort dingen gaat ten koste van de kleinere clubs en minder goede spelers – over de betaling van de scheidsrechters en waarnemers. In plaats, dat ze geld stoppen in de opleiding van arbiters, want het zijn af en toe blinde paarden. Dat is trouwens in heel Europa zo. Laat alle scheidsrechters eens een 1500 meter in een behoorlijke tijd lopen, dan valt driekwart af. De hele zaak wordt slecht aangepakt”.

  Akerboom deelde tijdens de afgelopen competitie tweemaal rake klappen uit, éénmaal tegen een speler van Haarlem Cardinals en een andere maal tijdens het toernooi van Fiat Stars. Hij was niet de enige, maar wil die gewelddadigheden wel voor zijn eigen verantwoording, en niet voor die van bijvoorbeeld de arbiters nemen: “Ik geloof, dat basketbal nog sneller emoties losmaakt dan voetbal. Op een gegeven moment, kan je iets niet hebben en dan denk je niet, maar dan doe je. Bij basketbal heb je niet om de te denken. Je bent steeds op allerlei dingen geconcentreerd, de hele met iets bezig. Wil je winnen, dan sta je nooit stil, ook niet op de bank. De hele tijd zweet je, je moet voortdurend beslissingen nemen en nergens anders aan denken. Maar ik vind het wel knap, als iemand zich kan beheersen”.

  Kees Akerboom, 22 jaar, 2.06 meter lang en te laat (vijf jaar geleden) met basketbal begonnen (“Het systeem is daar ideaal: vanaf het schoolpleintje moet je je naar de top vechten, hier zit je er veel te gemakkelijk en gauw bij”), speelde in Wenen tegen Israël zijn beste partij. Met als gevolg een enorme dekking van de Fransen in het volgende duel. Coach Mol liet hem een groot deel van de tweede helft op de bank zitten: “Volgens mij gaf Mol de wedstrijd gewonnen om ons te sparen voor het treffen tegen de DDR. Ook Kales en Smit bleven aan de kant, terwijl we toch op een gegeven moment op acht punten zaten. Dan moet je het toch proberen, vind ik. Basketbal is geen voetbal, waar twee wedstrijden op twee achtereenvolgende dagen te veel van het goede is. Tegen Frankrijk werd ik door zoveel mensen afgeschermd, dat andere spelers kansen moesten krijgen. Maar wij scoorden niet. Toen er tegen Oostenrijk niets meer op het spel stond, gooide Harrewijn er van grote afstand wel drie achter elkaar in. Theoretisch hadden we ongeslagen eerste kunnen worden.”

  “De Nederlanders moeten nog leren zich blindweg leeg te spelen. Dat ze inzet missen, wijt ik aan de aard van de Nederlander. Ja, als hij door veel geld gedwongen zou zijn fanatiek te worden, zou het anders zijn, maar het is hier voor het grootste deel nog vrijetijdssport. Het lichtpunt van Wenen was, dat we verdedigend sterk hebben gespeeld, geen ploeg in West-Europa meer, die ons ondersteboven speelt”.   Is de kwetsbaarheid en onvolwassenheid van het Nederlandse basketbal, die ook blijkt uit het totaal ontbreken van een gerichte gewichtstraining, een evidente zaak, Akerboom is wel, ook buiten Europa, erkend als volwaardig basketballer. Hoewel hij besloten heeft niet naar Amerika te vertrekken (waarmee hij een fikse salarisverhoging bij Levi’s afdwong), krijgt hij van de overzijde van de oceaan nog geregeld brieven, waar de vrolijke tekst “It is signing time again” uitspringt. Akerboom: “Ik heb geen zin om te tekenen en een studie te nemen, die me niet interesseert. Bovendien is het voor mij te laat om zo ontzettend goed te worden, dat ik daar een volwaardig profcontract krijg”.