Frank Kales een laatbloeier in het basketball

Een leuk verhaal uit 1969 over en met een grote naam uit het Nederlandse basketball ………. Frank Kales

   Tegen het eind van een wedstrijd loopt Frank Kales erbij als een wrak. Hij transpireert hevig, beweegt zich op een wijze die er voornamelijk op gericht lijkt op de been te blijven, wie hem recht in het gezicht kijkt stuit op een wazige oogopslag die suggereert dat deze speler tot geen enkele doeltreffende actie meer in staat zal zijn. Daar zijn er al heel wat ingestonken. Want de verdediger die meent dan even toe te kunnen geven aan zijn eigen vermoeidheid, ziet in de volgende seconde; dat “wrak” alle energie samenballen en tot maximaal effectieve actie overgaan. “Ik heb een grote inzet”, omschrijft Frank Kales deze mentaliteit, als hem gevraagd wordt wat zijn beste punten zijn.” Verder is mijn rebound sterk. Ik onderschep in iedere wedstrijd veel passes en uit de scoutingcijfers bij de Flamingo’s blijkt dat ik de meeste assists (passes waaruit een medespeler gemakkelijk scoort) achter mijn naam heb staan.”

   Trainer/coach Egon Steuer van de nationale ploeg onderschrijft deze mening van zijn aanvoerder vrijwel volledig. De idee van Frank Kales over de assists blijkt hij echter niet te delen. “Omdat daar een te grote hoeveelheid dolle passes tegenover staan die tot balverlies lelden”, stelt hij gedecideerd. “In de nationale ploeg mag hij zich van mij beslist niet met de aanvalsopbouw bezighouden. Bij Flamingo’s bemoeit hij zich met alles. In dit geval ten onrechte. Jan Schappert en Jimmy Myers moeten dat werk doen. Frank moet vrijlopen of zorgen tijdig in de rebound te zijn.”

   Frank Kales is een laatbloeier in het basketball. Weliswaar begon hij op zijn dertiende met deze sport, maar tot zijn negentiende jaar bleef hij hangen bij de Antilopen; een vereniging waarin, naar zijn zeggen nooit serieus werd getraind. Toen ging hij pas over naar Agon. Daar werd wel wat trainingsarbeid verricht, maar niet fanatiek en zeker ook niet deskundig. In die periode hield Kales zich voorts bezig met cricket en atletiek, waarin hij zich op kogelstoten, hoog-, ver- en hinkstapspringen wierp. Eerst op zijn 22ste jaar koos hij bewust voor specialisatie en topsport. Dat werd basketball. Hij ging naar de Flamingo’s en bereikte datzelfde jaar de nationale ploeg.

   “Ik trainde vanaf dat moment onder Jan Janbroers”, herinnert Kales zich. “Hij is de beste trainer van Nederland. Hij heeft mij tijdens de nationale training het sprong-schot geleerd. Hij had een enorme persoonlijke aandacht voor alle geselecteerden. Dat kostte hem enorm veel tijd. Het is een hobby van hem. Nog steeds. Als trainer van Flamingo’s stopt hij er nu óók zeer veel tijd in. Vorige week zat Janbroers drie dagen in Oslo. Vrijdag kwam hij terug en van het vliegveld reed hij meteen door naar de training.”

   Jan Janbroers blijkt dus de inspirator van Kales te zijn. Zijn invloed blijft groot. Dat bleek tijdens het kwalificatietoernooi in Haarlem. Nederland verloor toen de eerste wedstrijd van Roemenië. In die ontmoeting verstuikte Frank Kales zijn enkel. Röntgenfoto’s toonden aan dat lichtere blessures al herhaaldelijk genegeerd moesten zijn. De voet werd in het gips gegoten. Vóór de wedstrijd tegen Joegoslavië – voor de Nederlandse ploeg enorm belangrijk – bewoog Kales hemel en aarde om voor elkaar te krijgen dat het gips zou worden verwijderd, zodat hij zou kunnen spelen. Jan Janbroers – op dat moment optredend in zijn functie van arts – moest hem ervan overtuigen dat dit extreem onverstandig zou zijn.

VOORDEEL

   Naast het bezit van deze arts trainer/coach is meent Frank Kales, de voorspoed van de Flamingo’s ook toe te schrijven aan het feit dat het een Haarlemse vereniging is. “Haarlem is een stad van het juiste formaat voor een topploeg,” luidt zijn theorie. “Iedereen hier kent Flamingo’s. De gemeenschap kan in haar totaliteit geactiveerd worden. Denk ook maar eens aan het honkbal. Beslist een voordeel op Amsterdam en Rotterdam. Er bestaat bovendien een voortreffelijk contact met de gemeente. Als we problemen hebben stappen we naar de wethouder van Sport en Jeugdzaken Voskuilen en we vinden altijd gehoor bij hem.”

   Komt het de positie van Flamingo’s ten goede als de basketballbond volledige sponsoring toestaat? „Die ontwikkeling brengt publiciteit”, vindt Kales. En dat heeft het basketball hard nodig. Maar ik geloof niet dat we ineens vijfmaal per week zullen gaan trainen, omdat een sponsor 20.000 gulden in de vereniging stopt. Onze situatie zou dan vergelijkbaar worden met die van de voetbalclub “Haarlem”. Beslist geen volledige profstatus, maar een leuke bijverdienste met als consequentie dat je een keer of drie per week traint Het is natuurlijk wel lekker als je geld kunt verdienen met je sport. Maar voor mij is het niet doorslaggevend. Anders was ik een aantal jaren terug wel naar SVE gegaan voor een paar duizend gulden. Jan Driehuis is toen bij me geweest. Maar ik zag het niet.”

   Ondanks, dat Frank Kales vijf jaar geleden voor het top-basketball koos en zijn wedstrijd-inzet opzienbarend is, blijkt hij dus bezwaren te hebben tegen een extreme trainings-intensiteit. “Het moet bij een of twee, hooguit drie, keer trainen per week blijven”, meent hij. “Ik ben nooit een pleintjes baller geweest. Jongens, als Schapert, Boot en Kees Smit, dat zijn de types die van hun twaalfde tot, zeg maar, hun zeventiende jaar dag-in-dag-uit bezig waren. Ton Boot doet het trouwens nog steeds. Ik heb dat niet. Daarom is mijn schot – het is triest maar waar – één van mijn zwakste onderdelen.”

NIVEAU

   Ondanks die tekorten toch een hoog niveau voor Frank Kales, culminerend in het aanvoerderschap van het Nederlands team. “Hij is ook buiten het veld een zogenaamde oppepper”, licht Egon Steuer die verkiezing toe. “Hij kan de rest van de ploeg heel enthousiast maken. Als hij ziet dat een ander zich onvoldoende inzet krijgt hij de pest in.”

   “Het is jammer dat we zo weinig Interlands spelen.” zegt Frank Kales. “Je speelt een toernooi van zo’n acht wedstrijden en dan is het weer afgelopen voor een anderhalf jaar. Dit seizoen is, er – naast het toernooi met een bondsploeg in Bremerhaven – tijdens de kerst alleen maar een interland gepland tegen Frankrijk. Hoe kunnen de jongens op deze manier internationale ervaring opdoen? Als we nu af en toe eens tegen een gerenommeerd team in het veld komen, spelen we bevangen. Als we twaalf punten vóórkomen ontstaat er een angstpsychose. En in aanleg heeft ons basketball mogelijkheden genoeg. Het is goed te noemen in verhouding tot bijvoorbeeld België, waar het bondsledental toch vier á vijfmaal zo hoog is als bij ons en waar de dienst wordt uitgemaakt door Amerikaanse sterren. Wij kunnen in Europa zeker achtste worden zoals de Zweden. We zijn beslist niet zwakker.

   “Frank krijgt de laatste tijd wel wat sterallures”, vindt Egon Steuer. “Hij wordt boos bij fouten van medespelers. Hij heeft de positie bereikt van een gerenommeerd international, maar mag die natuurlijk niet misbruiken. Mijn statistieken bewijzen dat Kales in het Nederlands team altijd tot goede, resultaten komt,” Maar soms laat zijn discipline te wensen over. In het voor- Olympisch toernooi in Sofia stonden we vlak voor tijd twee punten vóór tegen Zweden. De opdracht was: pressing man-to-man verdedigen, maar niet proberen de bal te onderscheppen. Frank probeerde dat toch. Hij miste. Zijn man kwam vrij en maakte gelijk. En in de verlenging verloren we. Het gebeurde twee of drie seconden voor tijd. Anders had ik hem onherroepelijk gewisseld. Het probleem is dat Frank zich sterk voelt en dan denkt: we mogen niet proberen de bal te onderscheppen, maar ik natuurlijk wel. Hij weet dat hij een goede reactie heeft, voor zijn lengte zeer beweeglijk is en dat hij een grote ruimte kan verdedigen.

   „Onder de Jongeren zie ik geen spelers die iets bijzonders hebben, meent Kales. Ik zie geen nieuwe Schappert, Van Woerkom, Franke of Kok Het probleem van ons basketball het ontbreken van centers. Van Woerkom heeft, te weinig interesse. Die wordt niet meer beter, in geen honderd jaar. Hij is goed voor vijftien punten in een Interland; Van Tuyll en Loorbach ongeveer voor tien punten. Maar bij de tegenstanders brengen de centers samen altijd zo’n veertig á vijftig punten in.”

   “Bij ons moet het van de kleinere spelers komen. Wellicht een kwestie van aanvalsdiscipline. Misschien traint de nationale ploeg te weinig. Maar wat valt er nu te trainen voor één interland in een seizoen? Stel je voor: Je komt straks tegen Frankrijk in het begin tien punten achter. Dan is die ene wedstrijd ook nog naar de knoppen. En als je dan zelf een minuut of tien meespeelt is het echt niet de moeite waard. Dan blijf je er alleen bij voor tripjes zoals toen naar Bulgarije. Dat is natuurlijk leuk. Maar dan wordt het wel een toeristenteam.”

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s