In de planning: Twee basketball boeken

Voor dit jaar staan er twee basketball boeken in de planning. Op dit moment heb ik de research voor het boek “Basketball in de jaren zestig” afgerond. Dit boek zal in september worden uitgegeven.

Een klein stukje uit “Basketball in de jaren zestig”. Dit boek wordt eind september 2021 uitgebracht en behelst de periode vanaf de eerste landelijke competitie 1957-1958 waar men toen in twee hoofdklassen speelden, om dan in het seizoen 1960-1961 de eredivisie te introduceren. Dit boek loopt tot en met het seizoen 1968-1969

Het seizoen 1959-1960:

DED opende het seizoen 1959-1960 zeer sterk en worden dan ook met The Wolves gezien als de belangrijkste uitdagers voor de regerende kampioen The Blue Stars. Vooral onder leiding van een weergaloos spelende Ton Boot die het seizoen opende met respectievelijk 40 en 53 punten. DED kreeg later wel een minder prettig bericht, daar international Ton Boot in februari zijn militaire dienstplicht moest vervullen. Dit betekende een fikse aderlating voor DEerste Drie.

Het eerste topduel in de hoofdklasse A tussen The Blue Stars en The Wolves – voor 1.500 toeschouwers – eindigde in een 71-76 overwinning voor The Wolves, na een 37-41 ruststand. Vooral center Maarten Sleeswijk (29pts) was een plaaggeest voor de “sterren”.

Mede dankzij twee gevluchte Hongaren (Bandi Horvath en Körmendi) die bij tijden subliem basketball lieten zien, aangevuld met Jan Bruin, Jan Valstar en Henry Joubert wist het Delftse Punch de Amsterdamse topteams vaak het vuur aan de schenen te leggen.

Eind oktober kwam er een bericht dat center Maarten Sleeswijk toch bij The Wolves kon blijven spelen. Deze speler – geboren in Argentinië – en die voordien in Argentinië, Frankrijk en Amerika basketball speelde, zal door zijn werkgever niet naar Spanje worden gestuurd, maar in Nederland te werk blijven gesteld. Daardoor behielden The Wolves hun kampioenschap aspiraties. Tot zover dit overzichtje ………..

Het tweede boek zal in december uitkomen. Het boek zal als titel dragen “De meiden van het basketballveld”. Dit boek gaat over de verrichtingen van de Nederlandse dames met het Nederlandse team en de redelijke successen van de diverse clubs in de Europa Cup, dit wordt aangevuld met de verhalen van een aantal belangrijke speelsters uit de periode 1956 tot en met 1980.

Een stukje uit “De meiden van het basketballveld”:

OOST-EUROPA WREEF ZICH DE OGEN UIT

Nederlandse basketballsters zelf verbijsterd over succes “Waarom, geen weerklank in eigen land?”

Nauwelijks opgemerkt in eigen land heeft het Nederlandse dames basketballteam in het verre Cluj (Roemenië) een topprestatie geleverd. In het daar gehouden toernooi om het Europese kampioenschap veroverde de Nederlandse vertegenwoordiging de vijfde plaats. Een klassering die voor welke Nederlandse in ploegverband opererende sport afvaardiging dan ook een vrijwel onbereikbare wensdroom is. Niet alleen plaatsten de Nederlandse dames zich met dit resultaat direct voor de eindronde van het volgende Europese titeltoernooi (in 1968 in Italië), ook de kansen op een invitatie voor het volgend jaar april in Praag te houden toernooi om het wereldkampioenschap is sterk gestegen. De Nederlandse dames-basketballploeg kan nu nadrukkelijk recht doen gelden op de titel sterkste van West-Europa. Omdat de formatie zich plaatste vóór Hongarije, Bulgarije, Polen en Joegoslavië penetreerde zij bovendien op niet mis te verstane wijze in de kring van Oost- Europese landenteams die tot voor kort onderling de krachtsverhoudingen aan de top bepaalden. Niet alleen op Europees maar ook op wereldniveau. Met de Wien-Holland-Express arriveerde gisteren een vermoeide en vooral nog steeds verbijsterde Nederlandse equipe in Amsterdam. Vermoeid door een treinreis van ruim dertig uur, die de aanvankelijke uitbundigheid langzaam had ondermijnd.

Frank Kales een laatbloeier in het basketball

Een leuk verhaal uit 1969 over en met een grote naam uit het Nederlandse basketball ………. Frank Kales

   Tegen het eind van een wedstrijd loopt Frank Kales erbij als een wrak. Hij transpireert hevig, beweegt zich op een wijze die er voornamelijk op gericht lijkt op de been te blijven, wie hem recht in het gezicht kijkt stuit op een wazige oogopslag die suggereert dat deze speler tot geen enkele doeltreffende actie meer in staat zal zijn. Daar zijn er al heel wat ingestonken. Want de verdediger die meent dan even toe te kunnen geven aan zijn eigen vermoeidheid, ziet in de volgende seconde; dat “wrak” alle energie samenballen en tot maximaal effectieve actie overgaan. “Ik heb een grote inzet”, omschrijft Frank Kales deze mentaliteit, als hem gevraagd wordt wat zijn beste punten zijn.” Verder is mijn rebound sterk. Ik onderschep in iedere wedstrijd veel passes en uit de scoutingcijfers bij de Flamingo’s blijkt dat ik de meeste assists (passes waaruit een medespeler gemakkelijk scoort) achter mijn naam heb staan.”

   Trainer/coach Egon Steuer van de nationale ploeg onderschrijft deze mening van zijn aanvoerder vrijwel volledig. De idee van Frank Kales over de assists blijkt hij echter niet te delen. “Omdat daar een te grote hoeveelheid dolle passes tegenover staan die tot balverlies lelden”, stelt hij gedecideerd. “In de nationale ploeg mag hij zich van mij beslist niet met de aanvalsopbouw bezighouden. Bij Flamingo’s bemoeit hij zich met alles. In dit geval ten onrechte. Jan Schappert en Jimmy Myers moeten dat werk doen. Frank moet vrijlopen of zorgen tijdig in de rebound te zijn.”

   Frank Kales is een laatbloeier in het basketball. Weliswaar begon hij op zijn dertiende met deze sport, maar tot zijn negentiende jaar bleef hij hangen bij de Antilopen; een vereniging waarin, naar zijn zeggen nooit serieus werd getraind. Toen ging hij pas over naar Agon. Daar werd wel wat trainingsarbeid verricht, maar niet fanatiek en zeker ook niet deskundig. In die periode hield Kales zich voorts bezig met cricket en atletiek, waarin hij zich op kogelstoten, hoog-, ver- en hinkstapspringen wierp. Eerst op zijn 22ste jaar koos hij bewust voor specialisatie en topsport. Dat werd basketball. Hij ging naar de Flamingo’s en bereikte datzelfde jaar de nationale ploeg.

   “Ik trainde vanaf dat moment onder Jan Janbroers”, herinnert Kales zich. “Hij is de beste trainer van Nederland. Hij heeft mij tijdens de nationale training het sprong-schot geleerd. Hij had een enorme persoonlijke aandacht voor alle geselecteerden. Dat kostte hem enorm veel tijd. Het is een hobby van hem. Nog steeds. Als trainer van Flamingo’s stopt hij er nu óók zeer veel tijd in. Vorige week zat Janbroers drie dagen in Oslo. Vrijdag kwam hij terug en van het vliegveld reed hij meteen door naar de training.”

   Jan Janbroers blijkt dus de inspirator van Kales te zijn. Zijn invloed blijft groot. Dat bleek tijdens het kwalificatietoernooi in Haarlem. Nederland verloor toen de eerste wedstrijd van Roemenië. In die ontmoeting verstuikte Frank Kales zijn enkel. Röntgenfoto’s toonden aan dat lichtere blessures al herhaaldelijk genegeerd moesten zijn. De voet werd in het gips gegoten. Vóór de wedstrijd tegen Joegoslavië – voor de Nederlandse ploeg enorm belangrijk – bewoog Kales hemel en aarde om voor elkaar te krijgen dat het gips zou worden verwijderd, zodat hij zou kunnen spelen. Jan Janbroers – op dat moment optredend in zijn functie van arts – moest hem ervan overtuigen dat dit extreem onverstandig zou zijn.

VOORDEEL

   Naast het bezit van deze arts trainer/coach is meent Frank Kales, de voorspoed van de Flamingo’s ook toe te schrijven aan het feit dat het een Haarlemse vereniging is. “Haarlem is een stad van het juiste formaat voor een topploeg,” luidt zijn theorie. “Iedereen hier kent Flamingo’s. De gemeenschap kan in haar totaliteit geactiveerd worden. Denk ook maar eens aan het honkbal. Beslist een voordeel op Amsterdam en Rotterdam. Er bestaat bovendien een voortreffelijk contact met de gemeente. Als we problemen hebben stappen we naar de wethouder van Sport en Jeugdzaken Voskuilen en we vinden altijd gehoor bij hem.”

   Komt het de positie van Flamingo’s ten goede als de basketballbond volledige sponsoring toestaat? „Die ontwikkeling brengt publiciteit”, vindt Kales. En dat heeft het basketball hard nodig. Maar ik geloof niet dat we ineens vijfmaal per week zullen gaan trainen, omdat een sponsor 20.000 gulden in de vereniging stopt. Onze situatie zou dan vergelijkbaar worden met die van de voetbalclub “Haarlem”. Beslist geen volledige profstatus, maar een leuke bijverdienste met als consequentie dat je een keer of drie per week traint Het is natuurlijk wel lekker als je geld kunt verdienen met je sport. Maar voor mij is het niet doorslaggevend. Anders was ik een aantal jaren terug wel naar SVE gegaan voor een paar duizend gulden. Jan Driehuis is toen bij me geweest. Maar ik zag het niet.”

   Ondanks, dat Frank Kales vijf jaar geleden voor het top-basketball koos en zijn wedstrijd-inzet opzienbarend is, blijkt hij dus bezwaren te hebben tegen een extreme trainings-intensiteit. “Het moet bij een of twee, hooguit drie, keer trainen per week blijven”, meent hij. “Ik ben nooit een pleintjes baller geweest. Jongens, als Schapert, Boot en Kees Smit, dat zijn de types die van hun twaalfde tot, zeg maar, hun zeventiende jaar dag-in-dag-uit bezig waren. Ton Boot doet het trouwens nog steeds. Ik heb dat niet. Daarom is mijn schot – het is triest maar waar – één van mijn zwakste onderdelen.”

NIVEAU

   Ondanks die tekorten toch een hoog niveau voor Frank Kales, culminerend in het aanvoerderschap van het Nederlands team. “Hij is ook buiten het veld een zogenaamde oppepper”, licht Egon Steuer die verkiezing toe. “Hij kan de rest van de ploeg heel enthousiast maken. Als hij ziet dat een ander zich onvoldoende inzet krijgt hij de pest in.”

   “Het is jammer dat we zo weinig Interlands spelen.” zegt Frank Kales. “Je speelt een toernooi van zo’n acht wedstrijden en dan is het weer afgelopen voor een anderhalf jaar. Dit seizoen is, er – naast het toernooi met een bondsploeg in Bremerhaven – tijdens de kerst alleen maar een interland gepland tegen Frankrijk. Hoe kunnen de jongens op deze manier internationale ervaring opdoen? Als we nu af en toe eens tegen een gerenommeerd team in het veld komen, spelen we bevangen. Als we twaalf punten vóórkomen ontstaat er een angstpsychose. En in aanleg heeft ons basketball mogelijkheden genoeg. Het is goed te noemen in verhouding tot bijvoorbeeld België, waar het bondsledental toch vier á vijfmaal zo hoog is als bij ons en waar de dienst wordt uitgemaakt door Amerikaanse sterren. Wij kunnen in Europa zeker achtste worden zoals de Zweden. We zijn beslist niet zwakker.

   “Frank krijgt de laatste tijd wel wat sterallures”, vindt Egon Steuer. “Hij wordt boos bij fouten van medespelers. Hij heeft de positie bereikt van een gerenommeerd international, maar mag die natuurlijk niet misbruiken. Mijn statistieken bewijzen dat Kales in het Nederlands team altijd tot goede, resultaten komt,” Maar soms laat zijn discipline te wensen over. In het voor- Olympisch toernooi in Sofia stonden we vlak voor tijd twee punten vóór tegen Zweden. De opdracht was: pressing man-to-man verdedigen, maar niet proberen de bal te onderscheppen. Frank probeerde dat toch. Hij miste. Zijn man kwam vrij en maakte gelijk. En in de verlenging verloren we. Het gebeurde twee of drie seconden voor tijd. Anders had ik hem onherroepelijk gewisseld. Het probleem is dat Frank zich sterk voelt en dan denkt: we mogen niet proberen de bal te onderscheppen, maar ik natuurlijk wel. Hij weet dat hij een goede reactie heeft, voor zijn lengte zeer beweeglijk is en dat hij een grote ruimte kan verdedigen.

   „Onder de Jongeren zie ik geen spelers die iets bijzonders hebben, meent Kales. Ik zie geen nieuwe Schappert, Van Woerkom, Franke of Kok Het probleem van ons basketball het ontbreken van centers. Van Woerkom heeft, te weinig interesse. Die wordt niet meer beter, in geen honderd jaar. Hij is goed voor vijftien punten in een Interland; Van Tuyll en Loorbach ongeveer voor tien punten. Maar bij de tegenstanders brengen de centers samen altijd zo’n veertig á vijftig punten in.”

   “Bij ons moet het van de kleinere spelers komen. Wellicht een kwestie van aanvalsdiscipline. Misschien traint de nationale ploeg te weinig. Maar wat valt er nu te trainen voor één interland in een seizoen? Stel je voor: Je komt straks tegen Frankrijk in het begin tien punten achter. Dan is die ene wedstrijd ook nog naar de knoppen. En als je dan zelf een minuut of tien meespeelt is het echt niet de moeite waard. Dan blijf je er alleen bij voor tripjes zoals toen naar Bulgarije. Dat is natuurlijk leuk. Maar dan wordt het wel een toeristenteam.”

Frans de Haan: “Wij zijn hier nog te veel amateur”

Nog even een oudje, ditmaal uit 1969

“De instelling van de Nederlandse basketballer, vooral die aan de top, is verkeerd. Hij benadert zijn sport te amateuristisch en zal daardoor voorlopig een buitenbeentje blijven in het Europese basketball. Ikzelf benader de sport ook verkeerd.”

Aan het woord is Frans de Haan (31), in hart en nieren Amsterdammer, maar door zijn studie al jaren woonachtig in of in de omgeving van Rotterdam. Hij heeft uitgesproken meningen over het basketball. Een avond praten met Frans de Haan over basketball komt feitelijk neer op een avond luisteren naar zijn opvattingen en meningen over “de meest beoefende sport ter wereld.” (Hij stond erop, dat dat weer eens vermeld werd). Dat Nederland, vooral ten opzichte van de ons omringende landen daarop een uitzondering maakt, vindt hij spijtig. Maar basketball zal ook hier eens doorbreken.

“Je moet niet vergeten, dat we in Nederland pas een jaar of twintig meedraaien. Een vergelijking met volleybal, die in journalistieke kringen nogal eens gemaakt wordt, gaat mijns inziens volkomen mank.” Hij wijst dan op het aanvankelijke gebrek aan sporthallen en op het feit, dat die sporthallen nu als paddenstoelen uit de grond schieten. “We hebben met Punch in de afgelopen weken vier sporthallen geopend en iedere keer vormde basketball de hoofdmoot van het openingsprogramma. Volleybal heeft altijd kunnen beschikken over voldoende speelruimte, basketball was alleen maar mogelijk in sporthallen en die waren er tot voor kort maar weinig.”

Loopbaan

Zijn eerste wankele schreden op het basketball pad zette Frans de Haan als menig Amsterdams basketballer, op het Museumplein, waar de gemeente Amsterdam een batterij baskets had neer gezet. Hij sloot zich aan bij het roemruchte The Wolves en werd met deze vereniging driemaal kampioen van Nederland. In Rotterdam speelde hij daarna in het eveneens befaamde (maar dan niet om het behalen van titels, maar meer om de ongedwongen sfeer) The Arrows. Toch voelde hij zich daar niet zo thuis en het daaropvolgende seizoen sloot hij zich dan ook maar weer aan bij zijn oude Amsterdamse vereniging. Punch in Delft vormde de laatste pleisterplaats en dat zal ook wel zo blijven. Frans de Haan is er de man niet naar zijn glanzende basketbal carrière als een nachtkaars te laten uitgaan. Ziet hij dat er aan de top geen plaats meer voor hem is, dan zal hij stoppen

“Als het zo ver is, zal ik terug kunnen zien op een geweldige basketball periode. Liefst 68 keer ben ik voor het Nederlands team uitgekomen en ik heb Nederland op een aantal Europese toernooien vertegenwoordigd, vier keer werd ik kampioen van Nederland, ik vind het nogal wat.”

Het is onvermijdelijk niet te praten over de wedstrijden in het Nederlands team. Egon Steuer is in zijn ogen een bekwame coach, maar toch denkt hij ietwat wrang terug aan zijn slotperiode in het Nederlands team en de plotselinge afschrijving voor de keurselectie na de Europese kampioenschappen in Helsinki. Steuer wilde verjongen en de geroutineerde Jan Bruin en Frans de Haan kregen een overigens keurig, briefje waarin zij bedankt werden voor hetgeen zij voor het basketball gedaan hadden. Maar nu de voorronden in Haarlem niet zo voorspoedig verlopen zijn voor Steuer en zijn pupillen, komt die wrange smaak toch weer naar boven. De Haan is van mening, dat het Nederlands team juist gebrek had aan routiniers. “De verjonging is mijns inziens niet goed doorgevoerd. En de leeftijd, ik was toen 28, vond ik maar een matig excuus. Wereldkampioen Boston Celtics brengt een team op de been, dat gemiddeld 30 jaar oud is.”

Punch

Het gaat niet goed met Punch. Hoe komt dat? Frans de Haan: “Punch heeft voor het begin van de competitie nog nooit zo hard getraind als dit jaar. Toch draaien we niet lekker. Ik vind het wat goedkoop om excuses te zoeken. Haarlem Cardinals hebben we waarschijnlijk onderschat en Rotterdam-Zuid is onder Jan Bruin enorm vooruitgegaan. Toch had het tegen R-Z eigenlijk niet zover mogen komen, vindt de Punch-aanvoerder. Over het incident wil hij wel praten, maar zegt direct, dat hij het allemaal niet meer zo geëmotioneerd ziet als vrijdag in de Delftse sporthal. “Toen ik schoot en de punten gemaakt werden, draaide ik me om en zag al direct, dat het fout zat. Maar je kon je er toch niet zomaar bij neerleggen. Zo’n kans krijg je in geen miljoen jaren meer en ik maakte mij namelijk kwaad omdat de scheidsrechter het niet aannemelijk voor me kon maken, dat die laatste halve seconde moest worden overgespeeld. Achteraf heb ik er wel veel spijt van, dat we niet gespeeld hebben.”

Iets terug doen

Wat gaat Frans de Haan doen, als zijn actieve loopbaan afloopt? Gaat hij de Nederlandse basketball wereld op andere fronten van dienst zijn? Hij vindt dat een moeilijke zaak. Enerzijds voelt hij zich verplicht „iets” aan de NBB terug te doen voor de hem geboden kansen, maar anderzijds…? “Ik ben altijd een actieve basketballer geweest, met een grenzeloze bewondering voor de “administratievelingen”, die het mij mogelijk maakten om te basketballen. Dat werk ligt mij niet. Trainer-coach? – Weet je, wat mij nou geweldig lijkt? Trainer-coach te worden van een ploeg jongens, van een jaar of 7, 8 en die dan jaren onder mijn hoede te hebben.” En dat is natuurlijk niet vreemd voor een vader van drie kinderen rond die leeftijd, voor wie zijn sport en zijn studie sociologie ware hartstochten zijn.

Basketball uit speeltuin sfeer

Eigenlijk een vervolg op het vorig verhaal, deze komt uit 1971 waarin Jan Janbroers verteld over zijn opvattingen over het Nederlandse basketball uit die tijd. Eigenlijk zijn er nog steeds raakvlakken met de huidige tijd.

Toen Jan Janbroers in 1965 na een periode van zes jaar als bondscoach koos voor Flamingo’s stond hem één doel voor ogen: het clubbasketball uit de speeltuinsfeer halen. Janbroers (43), die met zijn opvattingen over topsport in de wat bekrompen Nederlandse basketbal gemeenschap, eenzaam vooraan liep, signaleerde een volkomen verstarde ontwikkeling van een in ons land nog jonge sport.

“Toen ik stopte met het Nederlandse team was dat hoofdzakelijk omdat er bij de clubs helemaal niets gebeurde. En dan hoef je op een wat hoger niveau ook niets te verwachten,” zegt hij.

Bevoegd

Jan Janbroers, farmaceutisch industriearts, is bevoegd tot oordelen. Hij stond aan de wieg van de Nederlandse Basketballbond (NBB, opgericht in 1947); zijn initiatief leidde tot het ontstaan van The Blue Stars, jarenlang een absolute competitietopper. Als coach van het nationale team maakte Janbroers de periode mee, dat Nederland pogingen deed contact te krijgen met de sterkeren. Wat nooit lukte. “Omdat”, zegt hij, “er een vorm van onverschilligheid bestond. Als Nederland van België verloor, werd er berustend gezegd: Ach, we winnen toch nooit van België.” Jan Janbroers heeft altijd gestreden tegen de mentaliteit, die het Nederlandse basketball slechts kwaad deed. Het basketball in de speeltuinsfeer. Van verenigingen die collectief “een avondje” verzorgden in een veilinghal.

Los

Eén van de verdiensten in het organisatorische vlak van Janbroers was, dat hij (samen met Rob de Wit, die later als tweede coach medeverantwoordelijk zou zijn voor de successen van Levi’s Flamingo’s) heeft doorgedreven om de clubs los te maken van de districtenorganisatie. Janbroers: “Het moest kunnen. Tenslotte verschenen er meer en meer sporthallen. En je kon alleen maar van het basketball in groentehallen afkomen als iedereen een eigen honk had.”

Met Levi’s Flamingo’s haalde coach Jan Janbroers het basketbal uit de speeltuinsfeer.

Volwassen

Jan Janbroers werkte met zijn Flamingo’s (sinds dit seizoen verzekerd van de extra sportieve steun van Levi’s vrijetijdskleding) meer en meer naar een beleid dat een volwassen aanpak van het basketball garandeerde.

De bewijzen werden reeds gedeponeerd. Levi’s Flamingo’s werd drie jaar geleden voor het eerst nationale kampioen. Afgelopen zaterdag werd Levi’s opnieuw gelauwerd als ’s lands sterkste na het beslissende duel tegen Rotterdam-Zuid. Met de sterkste ploeg, die Nederland ooit kende. Uiteraard heeft de sponsoring door Levi’s de Haarlemse vereniging een groot aantal faciliteiten verschaft. Hoewel Janbroers onmiddellijk relativeert: “Het is natuurlijk niet zo, dat zo’n sponsor maar op je komt afrollen. Er wordt bij ons achter de schermen hard gewerkt door een flink aantal mensen. De spelers profiteren ervan. Logisch. Ik vind namelijk dat topsport degenen, die het bedrijven, geen geld mag kosten. Bij ons is het nu zo, dat voor iedere speler alles wordt betaald. Tot en met de pilsjes na de wedstrijd.”

Professioneel

Bij Levi’s Flamingo’s heeft Janbroers zijn ideeën over topsport kunnen uitdragen. De Haarlemse club is de enige in de vaderlandse basketbal gemeenschap, die professioneel wordt geleid, ook al worden Fiat (vroeger Blue) Stars, Lions (Zandvoort) en Rotterdam-Zuid meegesleept door de initiatieven van Janbroers en de zijnen. Janbroers: “De anderen weten nu ook wel dat je niet maar wat kunt aanmodderen. De voorzitter van Fiat Stars zei laatst tegen me dat ze weleens gelachen hadden om onze verzorger en andere dingen, je ziet dat er soms nog over zaken, die in de topsport normaal zijn onbegrip bestaat. Zo’n verzorger moet er natuurlijk zijn. En hij moet nog betaald worden ook. Dat geeft zowel hem als spelers een professionele binding.”

In het proces van volwassen worden heeft Levi’s Flamingo’s niet alleen in de begeleidingssfeer een piek in Nederland bereikt. Ook in speltechnisch opzicht is de Haarlemse formatie een ware topploeg geworden. Janbroers: “Iedere sport kan pas gedijen als er een soort driehoeksverhouding bestaat tussen de spelers en de coach, de arbitrage en het publiek. Als ze elkaar vinden, krijgt je topsport.”

Boeien

Levi’s Flamingo’s werd Nederlands kampioen door het spelen van, zoals de Amerikanen het noemen “firehouse” basketbal. Een competitie lang werd gestreefd naar zo hoog mogelijke scores. Twaalf keer overschreden de Haarlemmers de indrukwekkende en klasse bepalende grens van honderd punten. Janbroers: “Je moet nu eenmaal een speelwijze bedenken die boeit. Basketball is een sport die het effect van spektakel moet hebben. Het tempo is bij wijze van spreken vijf keer opgevoerd. We maken het nu mee, dat erin amper een paar seconden een aanval wordt opgezet en afgerond. En dat is wat het publiek wil: “spektakel.”

Aanvoerder Frank Kales met de beker

Overmacht

Sinds Flamingo’s ook de naam Levi’s draagt, hebben de Amerikaanse spelers Bill More en Gerhard Schreur andere eredivisieploegen in competitieduels bijkans geruïneerd. De kans bestaat, dat de Amerikaanse overmacht in het Levi’s team remmend werkt op de ontwikkeling van Nederlandse spelers. Neem het voorbeeld van het ijshockey in ons land, dat te lang heeft geteerd op de inbreng van de Canadezen en daardoor het eigen aandeel te weinig heeft gestimuleerd.

Twee

Janbroers: “Dat gevaar zit erin, maar ik geloof, dat het bij ons niet gebeurt. Vooral omdat we in Nederland maximaal maar twee buitenlanders mogen opstellen. Je moet er natuurlijk in de eerste plaats naar werken dat je eigen talent kan floreren tussen de buitenlanders. Een bewijs: toen we afgelopen zaterdag tegen RZ kampioen werden, waren de Amerikanen niet fit. Die zaten aan de kant, toen de wedstrijd werd beslist.”

Tweede keus is ook nog altijd indrukwekkend

Een leuk stuk uit 1970, de start van shirt en naam sponsoring in het Nederlandse basketball.

Amerikanen beïnvloeden kracht van basketball clubs

In ieder West-Europees land, waar het basketball vaste voet aan de parketvloer van de sporthal heeft, treft men veel buitenlandse spelers aan. Meestal in een toonaangevende rol. Het betreft hier voornamelijk Amerikanen en – het laatste jaar, Tsjechen. Italië, Spanje, Frankrijk en België zijn in dit verband toonaangevend. Maar ook Nederland kent deze ontwikkeling in bescheiden mate. Bescheiden: in kwalitatief en kwantitatief opzicht. Iedere zomer verzamelen zich in een trainingskamp ergens in de States een vijftigtal van de beste Amerikaanse amateur basketballers. Uit deze rijk getalenteerde groep putten de profclub hun aanvulling. Om ten behoeve van de competitiespanning tot een evenwichtige krachtsverhouding tussen de clubs bij te dragen, kiest men op basis van: de zwakste ploeg uit de juist beëindigde competitie heeft de eerste keus, enzovoort. Scouts, buitenlandse trainers en clubbestuurders werpen zich daarna gretig als gieren op de niet-uitverkoren sterren. De kwaliteit van deze “winkeldochters” garandeert ze een toonaangevende rol in de competitie van welk land dan ook. In Europa worden de uitslagen van de strijd om de Europese beker(s) voor een belangrijk deel bepaald door het toevallige feit, wie van de betrokken toonaangevende landskampioenen erin geslaagd is de beste Amerikanen aan te trekken. Bij die mid-zomerverkoop is nog nooit een vertegenwoordiger van het Nederlandse basketball aanwezig geweest Het bedeesd rammelen met riksen dat in ons land een enkele maal opklinkt als het een opmerkelijk talent betreft, zou in Amerika – waar met duizenden dollars wordt gesmeten – ook een potsierlijke indruk maken.

Toonaangevend

Zoals gezegd, kent Nederland desondanks buitenlandse spelers. Het zijn inderdaad voornamelijk Amerikanen. En toonaangevend in onze landelijke competitie zijn ze ook veelal. Voorbeelden? Franklin van SVE werd – met een beenblessure – ingezet in de recente strijd in Utrecht tegen landskampioen Punch. Zijn hondsbrutale creëren van schotkansen, stoelend op een enorm brok koelbloedigheid, leidde tot een minimale overwinning voor zijn team. Jimmy Myers van Flamingo’s won ook al meerdere wedstrijden voor zijn ploeg, al lag zijn bijdrage – ondanks een uitstekend eigen niveau – dan veelal meer op het tactische vlak. Virgil Dijkstra was enkele jaren geleden de lange-man van het Amsterdamse Landlust. Hij ging terug naar Minnesota en Landlust begon te kwakkelen. Dat bleef zich manifesteren tot in de eerste competitie-ontmoetingen van dit seizoen. Toen kwam Dijkstra opnieuw naar Nederland, voelde de behoefte basketball te spelen, herinnerde zich het plezier waarmee hij bij Landlust deze vrijetijdsbesteding kon toepassen en meldde zich daar opnieuw aan. Landlust profiteerde van zijn inbreng van 1,99 meter met een opmerkelijke niveau-stijging en heeft ondanks de afschuwelijk slechte start dit seizoen nog uitzichten op een plaats bij de bovenste drie in de voorronde. Met het noemen van de tweede Landlust-Amerikaan Ellis Elvin en het vermelden van Flamingo’s laatste aanwinst Willie Carson, zijn de belangrijkste namen van dit moment wel gevallen. Deze twee mannen spelen nog te kort in ons land om al een gefundeerd oordeel over hun kwaliteiten mogelijk te maken. Vooral van Carson wordt overigens erg veel verwacht. Wat is nu de reden dat deze spelers in de Nederlandse competitie uitkomen! Is er sprake van gehaaid aankopen via stromannen in Amerika met geld uit mysterieuze bronnen? De zaken liggen minder spectaculair. Het betreft hier voornamelijk Amerikaanse militairen of ex-militairen die in Europa zijn blijven hangen, min of meer toevallig met een Nederlandse club in aanraking komen, in enkele gevallen aan een baan zijn geholpen en als liefhebber van het in de Verenigde Staten enorm populaire basketball op basis van een luttele vergoeding of geheel pro-deo hun aandeel in ons nationale basketball opeisen.

Jimmy Myers (Flamingo’s) en Ton Boot (Blue Stars)

Onvoorstelbaar

Omdat het basketball in Amerika op een onvoorstelbaar hoog niveau staat — nog nooit bijvoorbeeld verloor Amerika ook maar één wedstrijd tijdens een Olympisch toernooi, terwijl hierheen bepaald niet de sterkste formaties worden gezonden – blijken deze jongens in staat, de Nederlandse competitie terdege te beïnvloeden, terwijl zij in de meeste gevallen in eigen land nauwelijks de aandacht zouden trekken. Het wordt dan ook als een lachertje beschouwd dat de Nederlandse basketballbond van iedere vereniging die een Amerikaan in zijn gelederen telt, een verklaring van de Amerikaanse organisatie eist dat deze man niet als professional heeft gespeeld. Het met enige kennis van zaken beoordelen van deze jongens tijdens competitieontmoetingen zal – met behoud van respect voor hun kwaliteiten – beslist afdoende zijn. De spelers met mogelijkheden op het professionele vlak treft men aan in de toonaangevende landen van Europa. Sommige afgestudeerde Amerikaanse jongens tekenen enkele jaren voor een Europese topploeg. Zij leiden een voortreffelijk betaald, door de confrontatie met een volkomen nieuw leefklimaat belangwekkend, en in relatie tot de bikkelharde trainingen op de colleges een gemakkelijk leventje. Na deze wat lang- uitgevallen vakantie keren zij terug naar de geboortegrond en sluiten een lucratief contract af met één van de beide prof-bonden. Steve Chubin die enkele seizoenen voor Simmenthal in Italië uitkwam en Tom Washington (voordat hij bij de Minnesota Pipers prof werd, speelde hij voor Royal IV uit Brussel) zijn hiervan aansprekende voorbeelden. Bill Bradley deed het weer anders. Hij studeerde in Oxford (Engeland) en reisde alleen voor de Europese bekerwedstrijden van Simmenthal naar Milaan. Deze laatste gang van zaken Is niet ongewoon in de top van het Europese basketball. De Italiaanse clubs mogen in de eigen competitiewedstrijden slechts één buitenlander opstellen. Deze beperking geldt echter niet voor de Europese bekerwedstrijd. Daardoor kon de curieuze situatie ontstaan, hierboven beschreven. In Spanje pakt men de zaken wéér anders aan. De beste buitenlanders worden daar zo snel mogelijk tot Spanjaard gemaakt, waardoor ook de nationale ploeg profijt trekt van hun klasse. Dat neemt niet weg dat Pickadere Barcelona bijvoorbeeld tóch het Italiaanse voorbeeld volgde en speciaal voor de Europese bekerwedstrijd voor bekerwinnaars de Panamees Peralta liet overkomen. Deze jongen was ondanks zijn lengte van 1,70 de openbaring van de Olympische spelen. Ondanks zijn lengte. Want alhoewel er tot op het hoogste niveau plaats zal blijven voor virtuozen van normale lengte, speuren de scouts toch op de eerste plaats naar verticale uitschieters. Het is dus niet verwonderlijk dat er vooral makkers van meer dan twee meter als gastarbeiders in de hiervoor genoemde landen optreden. Die lijn kan niet doorgetrokken worden tot Nederland. Van de genoemde buitenlanders brengt alleen onderwijzer Virgil Dijkstra bijna twee meter in. Opmerkelijker is dat de in Europa meedraaiende Amerikaanse talenten veel negers zijn. En die ontwikkeling strekt zich ook weer uit over Nederland. Onder de vijf genoemde spelers treft men vier negers aan. Ook hier is Dijkstra weer de uitzondering. Stuk voor stuk zijn de overige vier bereid te verklaren dat één van de beweegredenen voor hun verblijf in ons land het ontbreken van rassendiscriminatie is. Een bewering die vooral veel zegt over de situatie in Amerika, als men kennisneemt van de laatdunkende manier waarover hier in sommige basketball kringen over deze jongens wordt gesproken. Een toon die helemaal is ingeburgerd en bijvoorbeeld ook wordt gebruikt ten aanzien van het geheel uit Surinaamse spelers bestaande Suvrikri. “Met die bruinen is het altijd alles of niks”, meende recentelijk de aanvoerder van een eredivisieploeg die, zelf met vijf persoonlijke fouten gediskwalificeerd, geëmotioneerd stond te kijken hoe zijn Amerikaanse ploegmaat de wedstrijd aan het winnen was. “Donder op droppie”, verzocht een andere eredivisiespeler zijn directe tegenstander. Het wekte hilariteit.

Een klein stukje uit “Basketball in de jaren zestig”.

Een klein stukje uit “Basketball in de jaren zestig”. Dit boek wordt eind september 2021 uitgebracht en behelst de periode vanaf de eerste landelijke competitie 1957-1958 waar men toen in twee hoofdklassen speelden, om dan in het seizoen 1960-1961 de eredivisie te introduceren. Dit boek loopt tot en met het seizoen 1968-1969. Ook de jaren zeventig, tachtig en negentig zal ik op deze manier in boekvorm uit gaan geven. Hiermee probeer ik de historie van het Nederlandse basketball zo goed mogelijk in beeld te brengen. Hieronder een klein stukje uit het boek met een topscorerslijst.

Seizoen 1959-1960: “Het overgangsseizoen”

De strijd bij de heren in de hoofdklasse A en B belooft dit jaar zeer spectaculair te worden. Immers, de hoofdklasse, welke nu uit twee afdelingen van tien ploegen bestaat, zal worden gereduceerd tot één afdeling van twaalf teams. De eerste vijf van beide hoofdklassen krijgen een plaats in de nieuw te vormen eredivisie, aangevuld met winnaars van de beslissingswedstrijden tussen de nummers zes en zeven uit de hoofdklasse A en B. Na deze versterkte degradatie, welke het spelpeil niet anders dan te goede kan komen, zal de NBB een nationale competitie formeren, welke zal komen te bestaan uit een eredivisie van twaalf teams en twee eerste klasse met elk tien ploegen.

Het seizoen:

DED opende het seizoen 1959-1960 zeer sterk en worden dan ook met The Wolves gezien als de belangrijkste uitdagers voor de regerende kampioen The Blue Stars. Vooral onder leiding van een weergaloos spelende Ton Boot die het seizoen opende met respectievelijk 40 en 53 punten. DED kreeg later wel een minder prettig bericht, daar international Ton Boot in februari zijn militaire dienstplicht moest vervullen. Dit betekende een fikse aderlating voor De Eerste Drie.

Het eerste topduel in de hoofdklasse A tussen The Blue Stars en The Wolves – voor 1.500 toeschouwers – eindigde in een 71-76 overwinning voor The Wolves, na een 37-41 ruststand. Vooral center Maarten Sleeswijk (29pts) was een plaaggeest voor de “sterren”.

Mede dankzij twee gevluchte Hongaren (Horvath en Körmendi) die bij tijden subliem basketball lieten zien, aangevuld met Jan Bruin, Valstar en Joubert wist het Delftse Punch de Amsterdamse topteams vaak het vuur aan de schenen te leggen.

Eind oktober kwam er een bericht dat center Maarten Sleeswijk toch bij The Wolves kon blijven spelen. Deze speler – geboren in Argentinië – en die voordien in Argentinië, Frankrijk en Amerika basketball speelde, zal door zijn werkgever niet naar Spanje worden gestuurd, maar in Nederland te werk blijven gesteld. Daardoor behielden The Wolves hun kampioenschap aspiraties.

Dit was ook het seizoen dat het Nederlandse basketball door drie negentien jarigen, te weten Ton Boot, Kees Smit en Rob Sterker, een nieuwe weg gingen in slaan. Tot zover dit seizoen overzichtje …………….

Meeste punten in een wedstrijd:

1. Kees Smit (DED) 62 punten

2. Ton Boot (DED) 53 punten

3. Rob Sterker (Landlust) 45 punten

Topscorers seizoen 1959-1960:

Ton BootDED1543529.2
Rob SterkerLandlust1229024.2
Rinus de JongArrows1125022.7
Kees SmitDED1327621.2
Maarten SleeswijkThe Wolves1735220.7
Simon SchagenUS1223619.7
Rudi WelterThe Wolves1223519.6
Jan DriehuisBlue Stars1526317.5
Gunter van DijkThe Wolves1221017.5
Jos PelkUS1118817.1

Naast de competitie zullen ook, zoals onderstaande bericht, meegenomen worden in het seizoensoverzicht.

Basketball wordt duur – dieven slaan steeds toe.

In november 1959 kwam dit bericht naar voren, basketball wordt in Amsterdam een onbetaalbare sport.

De Apollohal is namelijk een soort roof zaal geworden. Geld en kostbaarheden verdwijnen aan de lopende band uit de zakken van degenen, die er hun sport beoefenen. “Ja, het is verschrikkelijk. Maar ik sta werkelijk machteloos”, vertelde zaalchef Van der Linden. Dc vader van Ruud Kramer (van Thor) vertelde deze week, dat zijn zoon half naakt was thuisgekomen. Vooral de diefstal van een nieuw suède jack riep Kramer Senior’s verbolgenheid op. “Het is al lange tijd zo, dat er herhaaldelijk dingen verdwijnen. Er zijn er, die in hun oudste kleding en zelfs in overalls met daaronder hun sporttenue naar de Apollohal komen, om alle risico’s uit te sluiten. Spelers van Thor stoppen hun overhemden enz. in plastic zakken, die ze meenemen naar het veld”, aldus de heer Kramer.

Aan hem ook heeft zaalchef Van der Linden het verhaal gedaan, dat laatst de toiletten waren verstopt, omdat er zoveel (leeggeroofde) portemonnees en portefeuilles in waren gegooid. In de ene kleedruimte, die voor de heren beschikbaar is, moeten soms zes spelers met een haak doen. “Toezicht is moeilijk te houden”. De enige oplossing zou zijn er een politieagent neer te zetten, vertelden spelers over de situatie. Ik zou zeggen: laat dan de heilige Hermandad — als het inderdaad niet anders kan — maar aanrukken. En voor iedere gauwdief die gesnapt wordt: tenminste een jaar cel. Dan is het kwaad zo voorbij.