Al Faber, de stille werker van weleer kijkt terug …..

Iedere goede sportploeg heeft een stille kracht. Een werker, iemand die zelden of nooit het grote applaus binnenhaalt, maar die voor zijn ploeg goud waard is. Voor Kinzo Amstelveen, Nashua Den Bosch, NN Donar, Hatrans Haaksbergen en het Nationale team was die man Al Faber. Al Faber was een Nederlandse Amerikaan qua afstamming, maar had van zijn Nederlandse bestaan een serieuze aangelegenheid gemaakt. Als voorbeeld voor vele van zijn soortgenoten had hij de taal van zijn voorouders geleerd en bediende hij zich uitsluitend van het Nederlands, hoewel er bij tijden fantastische Amerikaanse kronkels door heen waren gewoven.

Faber: “Rond de eeuwwisseling verhuisden mijn voorouders van een klein gehuchtje (Scharnegoutum) even boven Sneek naar de Amerikaanse staat New-Jersey om daar melkboer te worden. Mijn moeder sprak nog wat Fries, maar toen ik voor Amstelveen uitkwam was ik voor honderd procent Amerikaan. Ik ben opgegroeid buiten Patterson, New Jersey, in het kleine stadje North Haledon, en groeide op met drie zussen en een broer. Dit was een Nederlandse gemeenschap met sterke banden met de Christian Reform Church, 85% van mijn klasgenoten was van Nederlandse afkomst en mijn ouders spraken thuis een beetje Friese.”

Al en Nancy Faber

“Toen ik naar de middelbare school ging, verteld Faber, waren er alleen in de open lucht basketballvelden. Geen honkbalvelden of voetbalvelden – dus speelden we basketball. Daar begon mijn basketbalcarrière. Op de middelbare school was ik lang en onhandig, de teams waren uitstekend met veel lange Nederlanders, verteld Faber. Dus ik begon pas in mijn laatste jaar te spelen voor het team. Omdat ik niet de meest getalenteerde was, heb ik geleerd harder en slimmer te werken dan de tegenstander. Mijn laatste jaar was erg goed – ik haalde gemiddeld zesentwintig punten per wedstrijd en de universiteiten begonnen mij te rekruteren”.

Faber: “East Carolina University wierf me aan om daar basketball te komen spelen en ik was hun center voor drie jaar (op dat moment konden eerstejaars niet spelen in het varsity-team). Mijn sterkste punt was rebounden en had gemiddeld meer dan tien per wedstrijd. In totaal rebounds en ben ik nog steeds de tweede rebounder aller tijden bij ECU. Onze teams waren middelmatig, maar in mijn junior jaar kwalificeerden we ons voor het NCAA-toernooi – één van de slechts twee ECU-teams die ooit het toernooi hebben bereikt. We verloren van Villanova in de eerste ronde”.

Italië en Corsica

“Faber, wiens eerste interesse naar honkbal uitging, wist tijdens zijn schooltijd op East-Carolina University, dat profbasketbal in Amerika voor hem onmogelijk was. Zijn capaciteiten waren daarvoor te gering, daarom vertrok naar Europa. Hij speelde een seizoen als prof in Italië en daarna één seizoen op het eiland Corsica. Zijn eerste bestemming was dus de Italiaanse tweededivisieclub Chieti. Over die ervaring verhaalt hij niet enthousiast. Faber: “Het basketbal in Nederland beviel me veel beter. Hier werd meer als ploeg gewerkt. In Italië moesten de Amerikanen alles doen: punten maken en rebounds maken. Typerend voor de Italiaanse benadering was dat als je daar won dat dit het werk is geweest van het team. Wordt er echter verloren dan kregen de Amerikanen de schuld. In Nederland was de druk op Amerikanen lang niet zo groot.

Na Chieti trok Al Faber naar het Franse eiland Corsica, waar hij een onvergetelijk jaartje meemaakte. ”Dat was iets aparts. Ik had daar gewoon een jaar betaalde vakantie. Ze hadden op dat eiland een eigen competitie, het niveau was nog geen vijfde divisie. Werkelijk, ik had er een prachtig leven. Ik woonde in een flat direct aan het strand. Als ik het raam opendeed, sprong ik zo op het strand. Ik heb er ook erg gezellige mensen ontmoet. “Het meest vreemde seizoen van mijn loopbaan. Ik was daar speler-trainer-coach, maar mocht maar één wedstrijd in het seizoen spelen, dat was de kampioenswedstrijd en die wonnen we. Onze tweede spelverdeler was 43 jaar en de reserve-forward viel zestien kilo af om aan deze wedstrijd mee te mogen doen.”

Nederland

Via het rondtoerende basketball gezelschap van de bemiddelde USA-heer McGregor, kwam Faber bij Theo Kinsbergen terecht. Faber: “Ik kwam bij Kinsbergen als zogenaamde Nederlandse Amerikaan. Ik had Nederlandse voorouders, dat is waar, ergens in Friesland zijn nog verre familieleden te vinden, maar ik was natuurlijk zo Amerikaans als het maar kan. Theo kon die dingen redelijk regelen. Ik had een jaar in Chieti, in Italië, gespeeld en een idioot seizoen op Corsica doorgemaakt en toen kwam ik met een reizend team naar Noord-Europa en dacht Theo dat hij me Nederlander kon maken.” “Ik was niet de enige, want we speelden toen met Everett Fopma en Ron Kruidhof, van laatstgenoemde weet ik het niet zeker, maar Fopma was ook voor geen millimeter Nederlander meer. Dat was toch de verdienste van Kinsbergen. Hij zette een profteam op, hij besteedde er geld en tijd aan en later kon het Nederlands team dan profiteren van ons ‘Nederlanders’.

@JanVerhoef

Vervolgens beleefde Faber een naar zijn zeggen “hele mooie tijd” bij Den Bosch, waar Ton Boot erin slaagde een hechte ploeg te smeden die zelfs internationaal aanzien verwierf. Faber: “De basis van het succes was dat we allemaal goed met elkaar konden opschieten. We groeiden als het ware naar een geweldige eenheid.” De Brabantse club bleef nuchter onder die voorspoed. Faber had daar helemaal geen moeite mee. Hij was geen man van grootspraak. Faber: “Ik ging er altijd van uit dat ik zo goed mogelijk mijn best moest doen. Als je je voor honderd procent geeft en je verliest, dan is er niets aan te doen. Geef je tachtig procent en je verliest … dan is dat een slechte zaak. Net zomin als ik tevreden zou zijn met 30 punten en 25 rebounds achter je naam, maar toch verliest.

Faber leerde snel de Nederlandse taal, iets wat zijn vrouw ook deed en zag in, dat hij zijn bestaan als profsporter behoorlijk zou kunnen verlengen in ons land als hij zich zou aanpassen aan de regels. Via Amstelveen kwam hij voor Den Bosch uit, waarna hij bij Donar in Groningen zijn derde club vond, hierna volgden nog twee jaren in Haaksbergen. Bij de eerste drie teams werd hij landskampioen, bij alle teams was hij de grote, stille kracht in het veld, de enthousiaste geest binnen de ploeg en de werker, de man die een goed contract aangeboden kreeg, omdat men hem overal nodig had. Hij was geen speler die tot het slag van de verwende prof-basketballer behoorde, want overal waar hij aanwezig was, trachtte hij bezig te zijn met trainingen en vooral met jeugdbasketbal. In Den Bosch bij voorbeeld was hij trainer-coach van een rolstoelbasketbalteam, iets dat uniek genoemd mag worden. Faber speelde sinds 1977 in de nationale ploeg, heeft negennegentig interlands achter zijn naam en was iedere wedstrijd heel nuttig aanwezig. Hij werkte hard, duwde tegenstanders weg, vocht zich tussen kluwen spelers door en had het meest onorthodoxe schot van het Westelijk halfrond. Van afstand schoof hij de bal in de richting van de basket, vaak met succes. Zijn inbreng bij al die teams is het beste met ‘nuttig’ te omschrijven: niet spectaculair, geen enkele vorm van show, wel enthousiast, maar vooral met de nadruk op nuttig.

De om zijn voorbeeldige instelling geprezen Faber wist niet waarom hij bij Den Bosch werd geloosd. Jan Dekker, de spelverdeler van de Bosschenaren, karakteriseerde Faber als “een onverzettelijk figuur”. Een gouden kracht voor een team ook, een kwalificatie die in een gedisciplineerde sport als basketbal nogal eens gemakkelijk wordt ondergewaardeerd. Niettemin, Den Bosch raakte uitgekeken op de forward met Friese voorouders (Scharnegoutum). Nog altijd tast Faber in het duister als hem wordt gevraagd waarom hij nou zo nodig de Hertogstad moest verlaten. Faber: “Dat weet ik niet. Ik had alleen een vermoeden. Ik denk dat Den Bosch meer geld nodig had voor een andere speler.

Verongelijkt was Al Faber toen wel. Terwijl hij op weg was naar de voorronde van het Europees kampioenschap in Turkije, vernam hij dat hij achter zijn rug om min of meer aan Leiden was aangeboden. Ze hebben nooit gezegd waarom ik weg moest. Ze zeiden alleen dat er voor mij geen plaats meer was en dat ik wel bij Leiden terecht kon.

De Nederlandse- Amerikaan liep echter niet aan de leiband van de heren regelaars mee. Hij maakte ze duidelijk dat hij na terugkomst uit Turkije zelf wel zou beslissen naar welke club hij zou gaan. Drie clubs bleken serieus in de markt te zijn: behalve Donar en Leiden ook nog Tonego uit Haaksbergen, Faber legt uit waarom zijn keuze toen op Donar viel: “Ik wilde naar een club die in de top speelde en aan de Europa Cup meedeed. Verder moest er een in mijn ogen mentaal sterke spelersgroep aanwezig zijn. Daaraan voldeed Donar. Bij Leiden zag ik het niet zitten omdat de sfeer rondom die ploeg niet al te best was en Tonego was toen geen topploeg.

Herinneringen

Fabers herinneringen beslaan een lange tijd en het is opmerkelijk dat hij wedstrijdmomenten, namen en situaties nog zeer scherp terug kan halen. Hij refereert nog aan de avond dat hij ten aanschouwe van duizenden toeschouwers, in de Leidse Groenoordhal, per brancard van het veld werd gedragen. Faber: “Toen speelden wij met Den Bosch tegen Parker Leiden en kwamen er tienduizend mensen kijken.”

“Den Bosch was van seizoen twee tot en met vijf heel bijzonder met drie kampioenschappen en met een aantal zeer speciale teamgenoten – Kees, Jantje, Theo, Danny en Buff en de rest van de teams. We hebben wonderen verricht toen we doorgingen naar de finale van de Europa Cup II – zeker gezien het feit dat onze coach Ton Boot niet aanwezig kon zijn tijdens de verschillende Europa Cupwedstrijden.”

“De twee seizoenen in Groningen waren ook meer dan prachtig”, verteld Faber. “Dat eerste jaar met het kampioenschap speelde ik waarschijnlijk in het meest getalenteerde en evenwichtigste team dat Nederland ooit heeft gehad. Er was een solide back-upspeler op elke positie. Ik heb nog steeds contact met Martin de Vries en Frank Ardon.” Mijn laatste twee jaar, acht en negen, waren bij Haaksbergen, waar we goede teams hadden maar geen kampioensmateriaal.

Elk jaar had ik het geluk om geselecteerd te worden voor het Nederlands team. Hoogtepunten waren de vierde plaats in Europa en het winnen van de Europese B-kampioenschappen in Finland en Portugal. Er waren geweldige reizen, vooral de reis naar China en veel geweldige en unieke herinneringen (een kamer delen met Mart Smeets, haha)

Amerika

Faber vond tien jaar Europa wel genoeg en vertrok in 1985 om, eenmaal in Amerika, eerst eens wat rond te kijken. Hij had goed gespaard en moest een richting kiezen voor zijn familie. Het werd werken met cijfertjes: verzekeringen, leningen. Lachend: “Dat zal niemand van mijn Nederlandse kennissen achter me gezocht hebben, maar dat was dus mijn werk”. Na elf jaar in Europa met negen van hen in Nederland, vestigden Nancy en ik ons ​​in Kenly, North Carolina (haar geboorteplaats) op het platteland en kregen we twee kinderen: Nathalia en Will en twee kleindochters, Crecia en Lillian. We zijn vijfendertig jaar geleden begonnen met een financiële planning firma in Kenly (Faber Wealth Management) en ik werk nog steeds als CFP (Certified Financial Planner). Onze zoon Will is drie jaar geleden bij ons in dienst getreden en zal het geleidelijk overnemen, zodat we met pensioen kunnen gaan en kunnen reizen.

Still playing the game

From-left-are: Bob Heuts, Al Faber, LinGreen, Arnold Nicholson and Jim Groves.

Ik speel nog steeds fullcourt basketbal met vrienden, hoewel ik vanwege Covid-19 al elf maanden niet heb gespeeld. Daarnaast speel ik in de Senior Games 3 op 3 basketbal. Voor de National Senior Games, waarin ik al vijftien jaar speel, heb ik nog nooit een wedstrijd verloren en met ons team – The Land of Waterfalls – zijn we zes keer naar de National Senior Games geweest (elke twee jaar) en eindigden elke keer in de top zeven en twee keer als tweede. Bob Heuts (BS Leiden) speelt ook in dit team.

“We hebben heel bijzondere vrienden en herinneringen overgehouden van onze periode in Nederland en zijn gezegend met ons leven. We zullen zeker nog reizen naar Nederland ondernemen,” aldus Al Faber.

Geruisloos vertrek van Jan Janbroers uit Nederlands basketbalteam

Nog een leuk stukje uit ons verleden. Ditmaal over coach Jan Janbroers, die in november 1965 vertrok als coach van het Nederlandse team. Later zou blijken dat dit maar van korte duur was.

„Voorlopig is er niets meer uit te halen”

“Na afloop van het vierlandentoernooi heb ik de spelers een handje gegeven. Waarom doe je opeens zo plechtig, vroegen ze. Omdat ik ermee stop, zei ik”. Jan Janbroers, zes jaar trainer-coach van het Nederlandse basketbalteam, wilde geruisloos vertrekken. De officiële reden luidde “wegens drukke werkzaamheden”. Hij licht toe: “Het was een complex van factoren. Jarenlang heb ik mijn vakanties ervoor opgeofferd, steeds was ik bezig met het nationale team. Een heel belangrijke factor was mijn overweging: laat nu een ander het maar eens opknappen”.

Jan Janbroers, 37 jaar en als arts verbonden aan een farmaceutische fabriek, heeft met de felheid die hem kenmerkt zes jaren leidinggegeven aan de ontwikkeling van het Nederlandse basketbal. Hij kwam in 1959 in functie, tijdens een crisisperiode in de Nederlandse Basketbalbond (NBB). De bond had slechts 2500 leden, er waren nogal wat strubbelingen. De toenmalige voorzitter, mannetjesputter drs. G. den Boef had een uniek kort toespraakje gehouden: “Nu gaan wij basketballen”. Janbroers werd benoemd tot trainer-coach van Oranje. Voorzitter Den Boef sprak over intensieve training, cursussen voor het kader en hij stimuleerde Janbroers bij het schrijven van een technisch boek over basketbal. Het boek “Modern Basketbal” verscheen al spoedig als handleiding voor trainers. Janbroers overziet de afgelopen zes jaar, waarin de NBB groeide naar een organisatie met zevenduizend leden:

Vijfjarenplan

“Toen ik kwam stelde ik mij voor een vijfjarenplan af te werken. Ik had er erg lang over nagedacht, voelde er aanvankelijk niet veel voor de vereniging US te verlaten, dat ik in drie jaar tijd van degradatiekandidaat tot ploeg in de kampioenscompetitie had gemaakt. Na drie weigeringen heb ik tenslotte ja gezegd. Ik stelde mij voor de nationale ploeg weg te halen van de plaats waarop ze toen stond: 33e op de lijst van 36 basketbal spelende landen in Europa.” Met Cees Burgert als assistent ging Janbroers aan de slag. Hij schat nu de nationale formatie in de staartgroep van de grote middenklasse, een vijftiende plaats ongeveer”. Hij praat over de basis van het succes: Ik ben begonnen met het spelen van veel meer interlands. Zestig zijn er in de afgelopen zes jaar gespeeld. Daarvan wonnen we er 23. In de voorgaande periode van acht jaar werden er door het Nederlandse team maar 35 interlands gespeeld, waarvan er vier werden gewonnen. Verder is er een betere technische training gekomen. Ik heb de Vereniging van Technisch Kader opgericht, waarvoor cursussen worden gegeven. Ik gaf lessen aan bondsoefenmeesters, er kwam een hechter contact met clubtrainers.

Details

Om eens een paar details te noemen: “toen ik met de training van het Nederlandse team begon moest ik de spelers dingen die ze altijd deden afleren en dingen die ze niet deden aanleren. Ze hadden bijvoorbeeld nog nooit van de verdedigingstechniek gehoord. Het sprongschot kenden ze niet, de rebound was een raadsel.” Tussen deze drukke bedrijven door bemoeit Janbroers zich nog met de opleiding van basketbalkader in België. Hij doet dit in opdracht van het Nationaal Instituut voor Lichamelijke Opvoeding en Sport. Het besluit tot zijn vertrek hangt nauw samen met de toekomstmogelijkheden van het Nederlandse basketbal. Janbroers: “Ik geloof niet dat ik er meer uit kan halen op dit ogenblik. Daarvoor zijn de secundaire voorwaarden te gebrekkig. Het is wel voorgekomen dat we als Nederlandse ploeg moesten trainen in een zaal zonder baskets. We konden, bijvoorbeeld, het oefenprogramma voor het afgelopen vierlandentoernooi maar voor zestig procent afmaken. Verder is er de zalennood, Er zijn wel veel zalen, maar de meeste ruimten zijn te klein, te smal. Dat zal voorlopig wel een rem zijn op het Nederlandse basketbal.”

Mentaliteit

Verder gelooft Janbroers dat er wel het een en ander mankeert aan de mentaliteit van de topspelers. “Kijk eens, ik had wel kunnen aanblijven als trainer-coach, maar dan moest ik soms door tijdgebrek thuisblijven als de spelers naar het buitenland gingen. En dat kan niet. Dan gaan ze op stap en zo. Dat is vaker voorgekomen. Bij mij gebeurde dat niet. Ze zeggen in de basketwereld dat er twee strenge coaches zijn: Rob de Wit en ik. Misschien is dat wel zo, maar ik accepteer zulke dingen niet. Weet je wat het is? Het leven is tegenwoordig te goed voor de spelers. Er zijn vrijwel geen killers meer, geen knapen die echt willen knokken. Ik heb bijvoorbeeld jarenlang een pleidooi gehouden om niet te roken. Ik heb een rookverbod ingesteld, maar dan doen ze het stiekem. Dat vind ik niet zo heel erg, maar het tekent wel de mentaliteit. Een rookverbod, het voorschrift om regelmatig vroeg naar bed te gaan – daar komt tegenwoordig niets van terecht”. Jan Janbroers neemt afscheid van het Nederlandse topbasketbal in de overtuiging dat er heel wat ten goede is veranderd. Ook kent hij de tekortkomingen en daarvan noemt hij de opleiding van de jeugd, “waar bij ons zo ongeveer alles aan mankeert”. Hij heeft zijn best gedaan, gaat zich nu helemaal wijden aan de Haarlemse eredivisieclub Flamingo’s.

Voorwaarden

Met dezelfde intensiteit als waarmee hij de nationale ploeg leidde: “Voor ik een paar maanden geleden bij Flamingo’s kwam heb ik de voorwaarden gesteld dat ze meer leden moesten werven en dat er eindelijk eens een bestuur moest komen. Het is gewoon niet te geloven, maar die vereniging bestaat tien jaar en er was eigenlijk helemaal geen echt bestuur. Dat kun je meemaken in de NBB, die men door de jaren heen steeds maar heel vriendelijk “een jonge bond” blijft noemen. Maar nu zit ik dan bij Flamingo’s, dat is nu écht mijn hobby. Je kunt zoveel interessante dingen doen bij een club.” Het zal hem toch weer heel veel tijd gaan kosten. Ter verklaring stelt dokter Janbroers een diagnose: “Er bestaat een basketbalziekte. Als je daardoor geïnfecteerd wordt, ben je verloren”.

Note: Jan Janbroers wordt gezien als een van de grondleggers van het Nederlandse basketbal.

Hij richtte, vlak na de tweede wereldoorlog, vanuit de Amsterdamse voetbalclub Blauw Wit de Amsterdamse club The Blue Stars op.

Van 1959 tot 1968 was hij bondscoach van het Nederlandse basketbalteam. Toen hij besloot als bondscoach te stoppen, gaf hij nog wel het advies om de lokale competities te vervangen door een landelijke eredivisie, wat toen ook gebeurd is.

Daarna was hij trainer van Levi’s Flamingo’s uit Haarlem, waarmee hij van 1971-1973 driemaal op rij de landstitel behaalde. In 1962 gaf Janbroers een boek uit, Modern Basketball, dat wordt gezien als de bijbel voor basketbaltrainers. In 1980 richtte hij het bedrijf MediServ, dat klinisch onderzoek doet naar nieuwe geneesmiddelen. Van 1981 tot 1983 was hij coach van het Belgische Antwerpse BBC, de voorloper van het huidige Antwerp Giants.

In november 2004 werd bij Janbroers een sarcoom ontdekt. Ruim een jaar later overleed hij.

Perfectionist Ton Boot heeft toch nog te leren

Kwam in mijn zoektocht over het basketball in de jaren zestig nog een leuk stukje tegen over en met de toen 24-jarige Ton Boot, die door de toenmalige bondscoach Jan Janbroers weer in genade was aangenomen.

Enfant terrible van The Wolves terug in Oranje

Ton Boot, de schotvaardigste vaderlandse basketballer, is door bondscoach Jan Janbroers weer in genade aangenomen. Voor Boot, die ondanks zijn 24 jaren al 42 wedstrijden in het oranje speelde, zijn de toegangswegen tot het Nederlandse team weer geopend. De Amsterdammer is hier gelukkig mee, want basketbal is zijn grootste hobby. Dagelijks – reeds jarenlang – traint hij daarvoor. Individueel minstens een uur per dag in de Oude RAI en daarenboven komt dan nog de clubtraining met zijn vereniging, de nationale kampioensploeg The Wolves.

Altijd pijnlijke verrassingen

Ton Boot

Is Boot voor zijn vereniging van onschatbare waarde, vooral ook omdat hij zowel defensief als aanvallend een perfectionist is, in het Nederlandse team zijn de grote kwaliteiten toch maar weinig tot uitdrukking gekomen. Dit was dan steeds een pijnlijke verrassing, niet alleen voor zijn coach, maar ook voor de toeschouwers die in zijn prestaties geloven. Ton Boot, het enfant terrible, heeft in zijn basketballoopbaan steeds de ogen op zich gericht gezien. Zeven jaar terug reeds, toen hij al met de grillen van een vedette rondliep, spande hij zich in, speelde subliem, maar als hij door een in zijn ogen onrechtvaardige beslissing van de scheidsrechter getroffen werd, was met Boot „de boot aan”. Dan kon hij zijn beheersing verliezen, woest stampen en gebaren, ja zelfs huilend weg rennen naar de kleedkamer; zijn ploegmakkers verslagen achterlatende.

Gerijpt

Maar in de loop der jaren is Ton Boot meer gerijpt en emotionele reacties blijven uit. Helaas echter, datgene wat Boot – evenals zijn stadgenoot Ger Kok, die momenteel in België triomfen viert – tot een internationaal gevierd speler had kunnen maken, is niet gekomen. Het mankeert hem binnen de lijnen op de beslissende momenten aan de nodige durf en bravour! Eigenschappen, die hem in het dagelijkse leven echt niet ontberen. Zijn schot, snelheid en conditie, alsmede technische balbehandeling laten nauwelijks te wensen over. En bovendien, Boot beschikt over een mentaliteit te kunnen vechten voor de zege. Als wij met – de 24-jarige Amsterdammer de kalender terugzetten en zijn jaren overzien, komen wij tot de conclusie, dat hij niet alleen voor anderen, maar vooral ook voor zichzelf moeilijk is. Hij, de perfectionist die zo graag traint, wil ook van zijn medespelers, graag zien wat hij presteert. En dat valt uiteraard nog wel eens tegen.

Daarom ook hebben de wedstrijden met het Nederlandse team Boot niet datgene gebracht, wat hij er zelf van verwachtte. “Meer nog misschien dan menig ander concentreerde ik mij ver vooraf op deze ontmoetingen. Deze druk ging te zwaar wegen en als het eenmaal zo ver was, kon ik mij niet meer ontplooien. Ik reageerde dan verkeerd af en ging over de scheef”, aldus de nu deemoedige Boot. Maar Boot, die bijna een jaar geleden na een reis naar Polen buiten het Nederlands team werd gezet, zegt zich te verheugen op zijn rentree: “Niet alleen, dat ik het een eer vind in het Nederlandse team te spelen, ook de theoretische kennis van coach Janbroers en zijn training trekken mij aan.” Dit laatste mag overigens geen verwondering wekken, want voor Boot is het momenteel zaak om zoveel mogelijk kennis te vergaren. Na universiteit en HTS vond Boot zijn doel in de Academie voor Lichamelijke Opvoeding, welke hij nu als “derde klasser” in 1966 beslist goed wil besluiten.

Positief

Als de kracht van het Nederlandse basketbal ter sprake komt, reageert Boot in positieve zin. “Het is echter zo jammer, dat wij het niet in daden tot uitdrukking brengen. De eerste overwinning op België bijvoorbeeld. De kloof echter is kleiner geworden en daarom ook is het zo te betreuren, dat door allerlei oorzaken de Oranjeploeg vrijwel nooit in zijn sterkste formatie kan spelen. Het internationale basketbal kent vele toernooien, hetgeen uiteraard bovendien veel voorbereiding vraagt. Dat werk en studie veel spelers niet regelmatig in staat stellen zich voor het Nederlandse team en training beschikbaar te stellen, is uiterst spijtig”.

Kans

Ton Boot is nog jong. Wat hij zeven jaar geleden nauwelijks wilde geloven, dat hij nog veel te leren heeft, beseft hij nu. De crack van landskampioen The Wolves, dat over enkele dagen ongetwijfeld de nationale titel prolongeert, krijgt opnieuw zijn verdiende kans. Als hij zijn reeds verworven technische kwaliteiten weet te paren aan durf en bravour, en daarnaast beseft dat zelfvertrouwen een schone deugd is, kan het niet anders of er komt een nieuwe, complete Ton Boot in het keurcorps van bondscoach Jan Janbroers.

Bob Woudstra: basketbal, postzegels en paarden…

Kwam in mijn zoektocht over de zestiger jaren een stukje tegen over Bob Woudstra uit 1963. Bob Woudstra werd als basketball speler vijf keer kampioen van Nederland met The Wolves, SVE en Blue Stars. Met die laatste ploeg werd hij samen met Ajax in 1970 gehuldigd als Nederlandse kampioenen. Als scheidsrechter floot hij op EK’S, Europa cup’s en wedstrijden op het pré-Olympisch toernooi in 1984.  

Wil nu zelf in de sulky         

Basketballer bij The Wolyes in Amsterdam en …. eigenaar van een renpaard. Deze twee nogal uiteenlopende zaken raken de vroegere voetballer en cricketter bij AFC-ACC, de 23-jarige Bob Woudstra. Een knaap die, wat men noemt, van alle markten thuis is, die van zijn hobby in betrekkelijk korte tijd een succesvol beroep (postzegelhandelaar) maakte en die in zijn vak zoveel kon overhouden, dat hij zich een renpaard kon aanschaffen. Bob Woudstra heeft mij met glinsterende ogen van zijn trotse bezit verteld. Van jong af aan al was hij gek op alles wat met paarden te maken had, en die tweede hobby naast het naarstig bijeengaren van postzegels heeft hij nu ook in de professionele richting kunnen buigen. Zijn tweejarige hengst C. Alkestis van E doet het uitstekend. „Geen wonder”, zegt Bob Woudstra mij, „want mijn draver stamt af van Zalkestis van E en Alkestis van E, dieren die al verscheidene jaren tot de betere paarden behoren.”

Trainen

Bob Woudstra met C. Alkestis

In de stal Van Leeuwen in het Hilversumse Sportpark is Woudstra’s viervoeter ondergebracht. De jonge Amsterdammer is daar – uiteraard – vaak te vinden, en hij heeft nu weer een ander verlangen: in de sulky te zitten. Niet achter zijn eigen C. Alkestis, maar achter een ander paard. “Ik heb al verscheidene malen getraind. Volgend jaar hoop ik als amateur in een race mijn debuut te maken”, vertelde hij me. „Ik moet eerst echter nog veel meer oefenen, want het werk in de sulky is moeilijk, heel moeilijk.” Bob Woudstra voelt zich gelukkig. Ik kan het me voorstellen. Twee hobby’s: postzegels en paarden. En als die zaken je dan nog flink wat geld opleveren …

Note: Met C. Alkestis won hij in 1964 12.500 gulden tijdens de Derby op Duindigt. Later verkocht hij dat paard aan een fokkerij voor 135.000 gulden. Hij fokte verder met paarden en de belangrijkste paarden die dit opleverden waren UFO Hermes en Woody Hanover.

Jan Driehuis en Ben de Jong eens over gebreken Nederlands basketball

Nog even een oud interview over de staat van het Nederlandse basketball in de jaren zestig met oud-international Jan Driehuis en Ben de Jong.

Toen Utrecht enkele jaren terug eindelijk over een voortreffelijk basketbalteam beschikte, dreigde die vereniging – SVE – door allerlei problemen prompt over de kop te gaan. Een belangengemeenschap van een aantal clubs voorkwam deze ontwikkeling. Ben de Jong werd aangetrokken om uit de ontredderde restanten van SVE opnieuw een hechte, representatieve formatie te smeden. De huidige positie van SVE bewijst het: hij slaagde in korte tijd. Halverwege dit seizoen raakte het vertrouwen van de spelers van Blue Stars in de begeleiding verloren. Het fraaie uitzicht op het landskampioenschap – vorig jaar op het nippertje via een beslissingswedstrijd tegen Punch gemist – kwam in gevaar. Blue Stars vond de persoonlijkheid die de toestand kon redden in eigen kring. De trainer/coach van de dames Jan Driehuis bleek bereid de dubbeltaak – behoud van de titel bij de dames en het veroveren van die titel bij de heren – op zich te nemen.

“Die taak is me smerig tegengevallen,” zegt de 33-jarige, oud-international Jan Driehuis openhartig. “Vooral als de teams meteen na elkaar spelen, zoals bij alle thuiswedstrijden, dan ben ik na afloop volkomen kapot. Dan heb ik nergens meer zin in.” Volgend seizoen dus geen bestendiging van de huidige toestand voor Jan Driehuis? „Ik ga door met de dames,” zegt hij gedecideerd. „Ik heb dit jaar de problemen voor de vereniging willen opvangen. Misschien worden de heren wel landskampioen, maar voor mij staat vast dat het team in deze samenstelling het volgend jaar niet haalt. Zes vaste spelers, onder wie maar één pivot, dat is te weinig. De andere teams, en vooral Rotterdam-Zuid, spelen volgend seizoen beslist weer een stuk sterker. Dankzij de nieuwe competitie opzet.”

Meer wedstrijden

Ben de Jong

Ben de Jong beaamt die conclusie volledig. “De spelers kunnen momenteel in geen enkele wedstrijd meer relaxen, stelt hij tevreden vast. “Zo krijgen ze meer routine. Via deze, weg kunnen de clubteams over een jaar of vier ook internationaal iets betekenen. Veel wedstrijden spelen is de beste basis. Een Europese topploeg zoals Standard Luik bijvoorbeeld gaat deze zomer voor twee maanden naar Italië en speelt zo’n zestig wedstrijden in een seizoen. Wat dat betreft zou ik nog wel een uitbreiding van het huidige competitie-systeem willen. Een volledig competitie als voorronde bijvoorbeeld. Hoe meer wedstrijden hoe beter.” “De dames moeten ook zo snel mogelijk over kunnen gaan op het competitie-systeem van een voorronde, en dan afsplitsen in een finale- en een degradatiegroep,” meent Jan Driehuis, onwillekeurig benadrukkend dat hij toch primair op de Blue Stars damesgroep gericht is. „Op dit moment is de competitie bar oninteressant. Spanning is er alleen in de wedstrijden tegen AMVJ. Als we tegen HOC of White Stars spelen, dan stimuleer ik mijn team nog wel eens tot een verhoogde inzet. Dat leidt dan prompt tot een enorm verschil in de eindstand. En dat zijn dan nog je betere tegenstanders. Volgend seizoen ben ik beslist in staat internationaal mee te tellen met de Blue-Stars-dames. We krijgen een tweede pivot-speelster door de overschrijving van Anneke Paul. Verder komt er nog een speelster bij. Als dat ook niet gebeurd was, was ik er waarschijnlijk mee gestopt. Ik train en coach deze groep nu drie jaar. Door die aanwinsten kan ik weer eens wat andere mogelijkheden benutten. Maar het blijft een gebrekkige zaak zolang de kwaliteitsverschillen in de competitie zo groot zijn.”

Inzet

De problemen van Ben de Jong liggen elders. Hij is ontevreden over de tralningsinzet van de Nederlandse basketballers. Er zitten in je groep altijd wel jongens die meer willen dan topsport bedrijven” zegt hij spijtig. „Momenteel train ik met SVE tweemaal per week. Die trainingen zijn verplicht. Daarnaast is er een derde training op basis van vrijwillige opkomst.” Aanvoerder Roel Tuinstra zie je daar bijvoorbeeld nooit. Roel zou een schitterende speler kunnen zijn maar hij heeft in Amsterdam een vreselijk gezellige kennissenkring. Hij amuseert zich kostelijk, drinkt zijn pilsje en heeft een afgrijselijke conditie. Zo zijn er meer in Nederland. Geen wonder dat de nationale trainer/coach Egon Steuer, die types heeft laten vallen. Toch geloof ik dat zo’n zestig procent van de spelers – en beslist niet alleen binnen SVE – de ambitie bezit, vijfmaal per week te trainen. Ik zou willen dat er meer trainingsgelegenheid was voor deze mensen. En dat ze over wat meer vrije tijd beschikten, dan nu. Factoren als studie en gezin zijn de grote remmen op de ontwikkeling van onze sport.”

Over de mogelijkheden dat de totale sponsoring ingang vindt in het basketbal: “Dat is een noodzaak, als we ooit een beetje niveau willen halen. Als we een spektakel willen opvoeren, voor het publiek. Dat vind ik één van de plichten van de topsport. Op bescheiden wijze probeer ik daar nu al aan mee te werken. De Amerikaan Eranklin is zo’n spectaculaire speler. Alhoewel hij nu uit vorm is breng ik hem altijd één periode in het veld. Zeker tijdens de thuiswedstrijden. Zijn fratsen trekken publiek. Hij krijgt altijd een enorm applaus als hij in het veld komt. Trouwens, bij onze thuiswedstrijden zit het meestal vol Een bewijs dat het publiek onze opvatting deelt. We kunnen dat nog enorm verbeteren. Maar dan moet er geld op tafel komen. En waarom niet? Er wordt nu toch al betaald aan de topspelers.

Masseur

Jan Driehuis

Jan Driehuis zou deze ontwikkeling ook geweldig vinden. Hij denkt aan mogelijkheden als het inschakelen van een masseur en wat meer doen voor de spelers. “Dat is nu niet mogelijk,” legt hij uit. “Dingen als de jongens ieder seizoen een nieuw pak verschaffen doen het bijvoorbeeld wel. Ikzelf waardeerde dat beslist toen ik nog op dit niveau speelde.” Heeft Driehuis voordeel in zijn coaching van de routine als speler?  “Beslist.” stelt hij vast. “Ik zie altijd meteen welke methoden een tegenstander volgt Je merkt het ook snel als er in je eigen ploeg een inzinking dreigt. Dat heb je zelf allemaal meegemaakt. “lk zag het altijd al scherp. En nu vanaf de bank is het in wezen gemakkelijker, omdat ik zelf niet meer op de bal hoef te letten.” Een probleem voor Driehuls is het feit dat hij de herenploeg van Blue Stars niet traint. De dames- en herentrainingen overlappen elkaar gedeeltelijk. “We trainen legt Jan Driehuis uit, in twee lokalen van dezelfde school. Af en toe wip ik even over naar de herentraining om eens rond te kijken. Ton Boot treedt op ais trainer/speler. Alhoewel hij het uitstekend doet en ik geen enkel probleem met hem heb, is het natuurlijk een methode. Over bepaalde zaken denkt hij nu eenmaal anders dan ik. Toch moet ik de verworvenheden via zijn training benutten in mijn coaching. Ton heeft bijvoorbeeld een zoneverdediging ontwikkeld waar ik niet helemaal achter sta. Ik ondervang dit door voornamelijk man-to-man te laten verdedigen.” Ben de Jong blijkt een voorstander van verdedigend spel. “Ze moeten er keihard tegenaan gaan,” zegt hij over zijn spelers. Dat is nodig bij basketbal. En ook attractief voor het publiek. Je hebt er natuurlijk wel veel spelers voor nodig. Blue Stars bijvoorbeeld kan dit niet doen. Dat steunt op de inventiviteit, van de sterren in de aanval. Verdedigend moeten ze met die kleine kern van spelers voorzichtig zijn. Ik heb spelers genoeg. Maar dan krijg je weer andere problemen. Er ontstaat rivaliteit tussen de jongens. Ze willen allemaal spelen en liefst zo lang mogelijk. Alleen Roel Tuinstra is na een kwartier meestal zo moe dat hij blij is als hij gewisseld wordt of vijf persoonlijke fouten heeft. Roel zou twee keer zo goed kunnen zijn. Maar het interesseert hem te weinig. Ik gelooft niet dat hij te vangen is, ook niet met geld. Als je hem honderd gulden per wedstrijd geeft, zou hij geen stap harder lopen. En zijn biertje kan hij niet missen. Misschien als hij trouwt dat het dan anders wordt.

Laag pitje

Wat zijn de kansen in de toekomst voor het Nederlandse basketbal volgens deze twee succesvolle coaches? “Er wordt slecht getraind,” vindt De Jong. „Als je ziet wat de spelers missen dan krijg je de indruk dat de landelijk jeugd-training op een wel heel laag pitje staat. Later gaat dat zwaar wegen.” En Jan Driehuis zegt: “Er is weinig jeugd. Ik heb pas het Amsterdamse meisjes jeugdteam zien spelen. Dat is brandhout. Daar zit niets bij. De heren krijgen echter wat mogelijkheden. Vooral door extreem lange jongens ais Pieter van Tuyll van Serooskerken. Die jongen is lang en bovendien een atleet. We verliezen internationaal altijd door de gebrekkige kwaliteit of het ontbreken van pivots. Dat was al zo toen ik nog meespeelde.”

Jaap Jansen stuwende kracht van The Blue Stars

Door mijn zoektocht in het verleden kom ik soms leuke interviews en verhalen tegen. Onderstaand is een interview uit de oude doos over Jaap Jansen, een clubman in hart en nieren. Hij was bestuurslid, coach en één van de stuwende krachten achter de club Blue Stars.

Met The Blue Stars gaat het goed in de vaderlandse basketbalcompetitie. Zowel het dames- als herenteam is nog ongeslagen en stevent rechtstreeks op het Nederlandse kampioenschap af. Ook in de toernooien om de Nederlandse bekers doen de hoofdstedelijke teams het goed. Zij bereikten reeds de halve finales. Voor The Blue Stars belooft dit seizoen het hoogtepunt van zijn 22-jarige bestaan te worden!

Basketball werd troetelkind

De basketballers van The Blue Stars staan juist in het middelpunt van de belangstelling. Vicevoorzitter Jaap Jansen is hier overigens niet van ondersteboven, want meer dan welke vereniging ook mocht The Blue Stars zich steeds in een grote belangstelling verheugen. Vooral door de ladies van het damesteam, dat tot enkele jaren aan de lopende band nationale titels vergaarde en er een dozijn veroverde. Maar ook door de durf van The Blue Stars om internationale toernooien te organiseren. Hiermede timmerden de Amsterdammers aan de weg ten behoeve van hun bond, die te lang in de kinderschoenen stond en geen initiatieven durfde en kon nemen. The Stars toonde zich daarentegen een vereniging vol ondernemersgeest. Dat The Blue Stars nog steeds een toonaangevende rol vertolkt is vooral te danken aan het bestuurslid Jaap Jansen, die geen gelegenheid onbenut laat om zijn vereniging te dienen. De energieke Amsterdammer (54) werd door zijn vrouw Corry in contact gebracht met het basketbal. Zij speelde in het Nederlandse team. Hij trouwde met Corry Schram en ook met deze zaalsport. Het werd een stap waarvan hij na achttien jaar nog steeds geen spijt van heeft. Voor het echtpaar Jansen-Schram werd basketbal het troetelkind!

Steun

Vooral door de steun die hij hierbij kreeg van zijn vrouw – zij is zelf overigens de wedstrijdsecretaresse en beheert de voetbalpool – kon Jaap zich dan ook ontwikkelen tot de stuwende kracht achter de Blue Stars, die hij nu is. Immers, Jansen is ook de coach van het herenteam, dat evenals samen met de dames op koers ligt om beslag te leggen op de nationale titel. Dat het coachen van de „Sterrenploeg” overigens lang geen gemakkelijk taak is in deze talentvolle formatie, namelijk door de grillige krachten, is het voor Jansen wel prettig, dat de wilde jaren van zijn troeven Ton Boot en Cees Smit voorbij zijn. Zij werden bezadigder, maar behielden hun grote kwaliteiten. Ton Boot de meest complete vaderlandse speler, betekent voor Jansen zelfs een grote steun. Hij is de trainer van herenploeg en van hem krijgt hij dan ook de technische adviezen.

Nuchter

Jaap Jansen

Over het te verwachten tweede kampioenschap van de herenploeg wil Jansen zich nog niet uitlaten, eerst binnenhalen is zijn nuchtere commentaar, want hij weet dat er ontmoetingen resten tegen Flamingo’s en Punch. Dat zijn opgaven, die je als zwaar moet betitelen. Over de kwaliteiten van zijn huidige ploeg is Jansen uiteraard niet ontevreden, „Wij spelen een droog, maar effectief spel.” Maar een tweede pivot naast de KMA-cadet Bernard van der Molen zou ons toch bijzonder welkom zijn. Een speler als de 2.17 meter lange Jan Loorbach zou ons bijvoorbeeld veel dichter bij het Europese niveau brengen. Bondscoach Egon Steuer schreef onlangs in het officiële orgaan van de basketbalbond, dat het zich voor het Nederlandse basketball wreekt, dat spelers als Loorbach en Kip op een te laag competitieniveau spelen. Hij vroeg zich toen zelfs af of er voor de bond geen taak was gelegd. Maar met jongens als Boot en Smit, de onvermoeibare Perrier, de driftige draver Woudstra, en de jonge talenten Van der Molen en Kassteen ben ik nu toch erg content.

Geldgebrek

Over de kansen van The Blue Stars en welke Nederlandse vertegenwoordiger ook bij de deelname aan het toernooi om de Europese beker, kan Jansen zich niet optimistisch uitlaten. „In tegenstelling tot het nog zeer amateuristisch denkende Nederland, wordt elders flink met de geldbuidel gerammeld”. Vele vooraanstaande verenigingen in Spanje, Italië en België trokken sterke Amerikaanse spelers aan, die nu een knap salaris met hun sport verdienen. Kijk, en met deze teams kan je natuurlijk hier nooit wedijveren, want dit kunnen wij ons nooit veroorloven. Wij merken het al als wij een toernooi willen organiseren. Als wij – zoals onlangs met Olympia Ljubljana gebeurde – een vereniging inviteren, krijgen wij antwoorden als: Goed, stuur maar vast een cheque. Maar alleen al van de bedragen, die ze dan noemen, krijg je een afknapper. Ook het Belgische Vilvoorde, dat wij in ons jongste kersttoernooi in de finale versloegen, moesten wij een ruim bedrag betalen. Dat je aan een dergelijk toernooi iets kunt overhouden, is absoluut uitgesloten. Integendeel zelfs, je loopt enorme risico’s. Bij ons laatste toernooi sprongen wij er gelukkig weer net uit, ook al hadden wij bovendien de dames van Slovan Bratislava hier. Je vraagt je af of het verantwoord is deze risico’s op je schouders te nemen. Maar er zijn ook verenigingen, die er tegenop zien in België aan toernooien deel te nemen. Daar loop je de kans, dat ze je spelers met aanbiedingen weglokken. “Kok, Pastor en Vrolijk zijn er echt niet alleen voor hun plezier heen gegaan”.

Trainers

Dat het de teams van The Blue Stars in de eredivisie zo goed gaat, schuift Jansen vrijwel geheel in de schoenen van de trainers Ton Boot en Jan Driehuis. De laatstgenoemde heeft de dames ook als coach onder zijn hoede. Zij zorgen voor een goede sfeer op onze zware en consequente trainingen. Cees Smit, die in Utrecht woont, schrikt er echt niet voor terug om enkele malen in de week met de trein naar Amsterdam te komen om te trainen. Waren er in het verleden wel de nodige moeilijkheden met de Nederlandse Basketbal Bond, Jansen noemt nu de samenwerking voortreffelijk. Maar hij maakt zich wel al zorgen over het volgende seizoen als zijn beide teams inderdaad de landstitel veroveren. In 1967 – toen de dames voor de laatste keer kampioen waren – kregen wij als maximale garantie van de NBB voor de deelname aan de Europacup ƒ1500. En als je dan verre reizen naar Oost of Noord Europa moet maken en er dan nog eens in slaagt om de eerste ronde te overleven, kan dit je bankroet betekenen. Maar laat ik mij daar nog niet het hoofd over breken. Misschien krijgen wij, evenals in het buitenland, dan wel de steun van het bedrijfsleven. “Want het is toch haast uniek, dat twee teams van één vereniging nationaal kampioen worden en wellicht ook nog beslag leggen op de Nederlandse bekers”.

REKENAAR

Kerstbasketbaltoernooi in Apollohal, Pitzenburg(Belgie) en Blue-Stars

Jaap Jansen toont zich nu weer de rekenaar. De man, die bij de toernooien zelf de reclame verzorgt rond het speelveld om er zoveel mogelijk rendement uit te halen. De man, die op zondagochtend de radio belt en ’s middags de hoofdstedelijke stadions. Dit om propaganda te maken voor zijn vereniging, die in de avonduren in de Apollohal speelt. Maar de toeschouwers die dan inderdaad komen, lopen risico’s. De ploegen van The Blue Stars zijn namelijk voor vele verenigingen te sterk. De afgelopen zondag vormde daarvan een sprekend voorbeeld. De dames van NDH uit Den Helder konden toen de nederlaag tot 92—20 beperkt houden door in de laatste fase eindeloos het spel te bevriezen. De heren van Argus uit Den Haag deden dit toen niet. Zij deden hun sportieve plicht. Maar het kwam hun op een nederlaag van 122—70 te staan, hetgeen de hoogste uitslag van dit seizoen was. Gelukkig echter voor de steeds actieve Jansen en trouwens heel de NBB, zondag was het een dag van de uitersten. NDH en Argus kunnen de degradatie nog nauwelijks ontgaan.

Info: Blue Stars Basketbal is in 1947 opgericht door Jan Janbroers en is daarmee een van de oudste basketbalverenigingen van Nederland. Vanaf de jaren vijftig doet Blue Stars mee aan de top van de dameseredivisie. Met twintig kampioenschappen is Blue Stars de club met de meeste eredivisietitels ooit in de geschiedenis van het Nederlandse vrouwenbasketbal. In de jaren zeventig vormden de Blue Stars-dames de basis van het Nederlands team.

Het herenteam was in 1960 een van de oprichters van de Eredivisie en heeft ook diverse landstitels en nationale bekers veroverd. Tussen 1970 en 1973 werd Blue Stars gesponsord door Fiat en heetten ze tijdelijk de “Fiat Stars”. Hierna heette het team tussen 1973 en 1976 “Gerard de Lange Blue Stars”. Na het beëindigen van deze sponsorovereenkomst stopten de Blue Stars in de eredivisie. Op dit moment heeft Blue Stars geen teams meer op het allerhoogste niveau. In 2007 hadden ze nog slechts 27 leden en stond Blue Stars voor de keuze wel of niet door te gaan met de vereniging. Blue Stars heeft toen met een aantal enthousiastelingen het besluit genomen om door te gaan en de club nieuw leven in te blazen. Vanaf dat moment is Blue Stars ook weer gestart met een jeugdafdeling. Blue Stars Heren 1 speelt landelijk 2e divisie. De overige teams komen uit in de afdelingsklasse. Blue Stars heeft in het seizoen 2016-2017 ruim 170 leden. In 2016 is Blue Stars uitgebreid naar IJburg.

“Geen spijt van profavontuur”

Uit de oude doos: Het verhaal van de Amsterdammers Karel Pastor en Karel Vrolijk die in het midden van de jaren zestig als één van de eerste Nederlandse basketballers een profcontract tekenden in België. Dit in navolging van Ger Kok, die hun drie jaar eerder voorging.

Twee gerenommeerde Nederlandse basketballers zijn weer in Amsterdam neergestreken: Karel Pastor en Karel Vrolijk. De boomlange Pastor scoort er voor zijn oude vereniging Herly alweer lustig op los. De technisch uiterst aardige Vrolijk traint deze hoofdstedelijke formatie sinds kort. Tot het einde van dit seizoen moet hij echter zijn contractuele verplichtingen als speler in België nakomen. Daarna meldt hij zich vermoedelijk aan bij de Haarlemse topclub Flamingo’s.

De hevig rammelende geldbuidel had een handvol jaren geleden een onweerstaanbare aantrekkingskracht op beide Nederlandse volbloed amateurs die luttele kilometers over de zuidelijke grens van hun sportieve liefhebberij een lucratieve zaak konden maken. Karel Pastor (2.02 meter), heeft geen spijt van de grote stap, die hij ruim twee seizoenen geleden, zij het aarzelend, maakte. ‘Maar ik ben nu wel weer blij dat ik weer terug in Amsterdam ben. Ik was in mijn Belgische periode trouwens iedere week hier. Zodra ik vrij was reed ik naar Amsterdam. “Ik had een ontstellende heimwee”. Daarom ook ben ik definitief teruggekomen. Ik heb twee jaar in België gespeeld, voor St. Niklaas en Destelbergen in Gent. Vooral het tweede seizoen draaide ik goed. Ze wilden me daar dan ook graag houden. Na drie jaar zou ik dan Belg kunnen worden, wilden ze graag. Natuurlijk, dan konden ze weer een buitenlandse speler aantrekken, want ze mogen er maar twee in een team hebben. Maar voor naturalisatie voelde ik niets, ik kijk wel uit. Ik heb er in die twee jaar goed verdiend.

CONTRACT

Karel Pastor

Ik had een contract van 13.000 gulden, het tweede jaar was het 15 mille. En dan nog de premies. Die lagen vrij hoog. Voor een gewonnen wedstrijd kreeg ik 200 gulden. Ik heb in Gent nog een café, maar daar deed ik niets aan. Ik probeer de zaak te verkopen. Ik heb in België alleen basketball gespeeld. Meer niet. We trainden drie keer in de week en speelden elke zaterdags competitiewedstrijden. En: De basketball sport leeft in België veel meer. Dat is bijna niet te vergelijken met Nederland. Daar is het helemaal niet moeilijk om sponsors te vinden. En de miljonairs betalen grif. Ze willen gewoon niet voor elkaar onder doen, al hebben ze nog nooit een wedstrijd gezien. Het publiek is een hoofdstuk apart Geweldig. De Belgen hebben veel meer over voor de sport. Ik ben met Kerstmis bij het toernooi van Blue Stars in Amsterdam geweest. Je hoorde de mensen nauwelijks. In België gaan ze fijn tekeer. Als ze in Nederland een ‘riks’ toegang moeten betalen, dan vinden ze het al veel. In België vragen ze rustig tien, twaalf gulden entree, en dan is het nog uitverkocht.

In Nederland lopen ze gewoon nog achter. Ook hier moeten we tot betaling overgaan. Dan kunnen we buitenlanders aantrekken. Amerikanen bijvoorbeeld. Het publiek komt dan heus wel.

CONDITIE

Karel Pastor (23) is terug bij Herly, de club, waar hij zijn glanzende sportcarrière als junior begon. Aanvankelijk wilde hij na zijn terugkomst met basketbal stoppen, maar ook oude clubliefde roest niet. ‘Ik ben nog door Flamingo’s en Landlust benaderd.” Toch heb ik voor mijn oude vereniging gekozen. Daar heb ik mijn vrienden en ik wil graag meehelpen Herly weer in de hoofdklasse terug te brengen. Ik kom nog wel conditie tekort. Ik heb immers zes maanden niet gespeeld.

Maar door extra trainingen hoop ik weer het oude peil te bereiken. En natuurlijk het Nederlands team. Daarin heb ik 25 keer gespeeld. Ik heb al met bondscoach Steuer gesproken.

Karel Vrolijk

Karel Vrolijk (1.87 meter) speelt nog wekelijks met Red Sox uit Charleroi in de Belgische competitie. Nog acht wedstrijden, dan is hij van het driejarige contract (10.000 gulden, exclusief premies) verlost. Hij woont inmiddels weer in Amsterdam en verzorgt met veel enthousiasme de training van de jonge club DWV en ‘zijn’ Herly. Karel Vrolijk is om een andere reden dan zijn vriend Karel Pastor teruggekomen. ‘Ik wilde altijd al naar het CIOS in Overveen. Dit keer ben ik voor de test geslaagd en dat vind ik belangrijker dan het geld, dat ik nu nog met basketbal verdien. Die financiën zijn natuurlijk wel leuk, maar ik moet aan de toekomst denken. Red Sox weet nog van niets, maar de bestuursleden kunnen niet meer dan kwaad kijken als ik het contract niet verleng. Nu reis ik ieder weekeinde naar Charleroi voor de competitiewedstrijden. Ik train zelf in Amsterdam. De ene dag oefen ik in de Oude Rai en de andere dag werk in het Amsterdamse Bos aan mijn conditie.

TE VROEG

Vrolijk (23) heeft geen moment spijt gehad van zijn tweejarig verblijf in België. Integendeel: Ik heb er veel geleerd. Het spelpeil ligt er veel hoger. Een vereniging in de tweede afdeling kan in Nederland bijna mde hoofdklasse meedraaien. Ik speel me tijdens een wedstrijd altijd helemaal leeg. Dat gebeurt in Nederland zelden, maar in België verwachten ze dat, terecht, van professionals. Natuurlijk zou ik het toejuichen als er in Nederland ook een ruime sponsoring zou komen, dat zou het spelpeil duidelijk in de lift zetten. Maar er komt bij sponsoring heel wat kijken, dat wordt nogal eens vergeten. Als er in Nederland een team met grote financiële mogelijkheden komt, dan is het uiteraard in Nederland niet te verslaan. Het plan van Rob de Wit om tot een vorm van betaling over te gaan is heel gezond, maar het is te vroeg gekomen. Toch is het de toekomst van het basketbal. Karel Vrolijk speelde vorige maand als gastspeler voor de Amsterdamse topclub Blue Stars tijdens het toernooi van Flamingo’s in Haarlem. Hij was zonder meer de uitblinker in het team. ‘Dat heeft me goed gedaan. Het was ook een teken, dat ze me in Nederland nog niet vergeten zijn. Maar toch ben ik niet van plan voor deze vereniging te gaan spelen. In het team staan nu een aantal spelers, die binnenkort stoppen. En ik geloof niet, dat er voldoende aanvulling voor de top is. Het is niet rendabel. Als ik in een club speel, dan moet het kampioen kunnen worden of tenminste hoge ogen naar de titel gooien. Zo is mijn instelling nu eenmaal. Daarom denk ik dat ik naar Flamingo’s ga. Die club heeft een achtergrond, die klinkt als een klok. Haarlem heeft voor mij nu honderd voorkeur’, aldus Karel Vrolijk, die 50 interlands op zijn naam heeft staan. ‘Het Nederlandse team is het mooiste, dat er in de sport te bereiken is. Daarom hoop ik dat ik weer geselecteerd word. Alleen bondscoach Egon Steuer weet nog van niets.

Bij de Flamingo’s wil men het zélf te veel doen

Een verhaal uit de oude doos, Ditmaal over de beginperiode van het Haarlemse Flamingo’s. De topclub van weleer behaalde naast vier landstitels ook vier keer de Nederlandse beker, maar zal voor eeuwig in de basketball herinnering blijven staan door hun hun zege in Madrid op het almachtige Real Madrid.

Meer getraind dan ooit en alleen maar slechter geworden. Deze
paradox geldt ongetwijfeld voor de Flamingo’s, die in de eredivisie van het basketball onderaan bengelen. Weinig insiders en zeker de spelers van deze club hadden dit gedacht, dat dit Haarlemse „sterrenteam” vlak na de start van de competitie in nieuwe stijl, deze allesbehalve benijdenswaardige plaats zouden bezetten. Te meer daar de eerste drie tegenstanders tot de zwakste clubs gerekend moesten worden.
Bij de andere basketbalverenigingen in Haarlem wordt meesmuilend gegnuifd over de slechte resultaten, want het team, dat in hoofdzaak is samengesteld uit spelers van andere clubs – het waren meestal lastige jongens – genoot nooit veel populariteit.

De club werd in 1954 opgericht onder de naam „Black Pirates” – ze droegen doodskoppen op hun shirts – door hoofdzakelijk honkballers, die in verschillende clubs basketbal speelden.

Kampioen

Nadat met diverse ontevreden prominenten van andere clubs contact was opgenomen, besloot men tot oprichting van de „Zwarte Piraten” — enige jaren later werd de naam veranderd in „Flamingo’s” — over te gaan. De club werd direct in de hoogste afdeling geplaatst. Terecht, want nog hetzelfde jaar werden de “Pirates” kampioen van Haarlem en eindigden ze in de strijd om de landstitel op de derde plaats. Ook daarna bleef de jonge club een vooraanstaande rol spelen, zodat het geen verwondering wekte, dat ze vorig jaar bij de eerste vijf kwam, wat recht gaf op een plaats in de nieuw te vormen landelijke eredivisie. Met veel elan hebben de spelers, die veel voor hun sport overhebben, zich de hele zomer op het nieuwe seizoen voorbereid Het resultaat was tot nu toe omgekeerd evenredig. Natuurlijk dringt zich de vraag op, waarschijnlijk speelt dit een grote rol, want de uitblinkers die van de zomer in grote vorm waren, zijn nu ongeveer nergens.

De Black Pirates bij hun oprichting in 1954. Later veranderde men de naam in Flamingo’s. Rob Bakker, Hans van Elk, Ruud Jongeling, Ton Kaart, Han Mulle, Piet Duinker, Joop Zandberg, Martin Jole, Ruud van Elk en Jan Meenhorst.

Weinig ideaal
Trouwens net als in de meeste andere steden spelen ook de zaalsportbeoefenaars in Haarlem hun sport onder weinig ideale omstandigheden. Het Krelagehuis beschikt over totaal onvoldoende kleedruimte, waar douches ontbreken. Bovendien is de huur zo hoog, dat geen club en zelfs de Basketbalbond het niet op kan brengen. Het tekort wordt opgevangen met een indirecte subsidie van de gemeente.
Dit heeft geleid tot de vreemde situatie, dat de „Flamingo’s”, die veruit de meeste toeschouwers in Haarlem trekken, geen cent recette kunnen innen.
Sterker nog, de spelers moeten iedere wedstrijd …. een dubbeltje entree betalen om tot de zaal toegang te krijgen, waar ze zelf hun eredivisiewedstrijd moeten spelen. Over ons heilige Nederlandse amateurisme gesproken! De spelers van de „Flamingo’s”‘ in Haarlem kunnen er uren over vertellen.

Daarnaast wreekt zich wel zeker het feit, dat de ploeg uit sterk individuele spelers bestaat, die het veel te veel zelf willen doen Een bezwaar, dat bij de concentratie van sterke clubs dit jaar veel meer is gaan meetellen. Uit een gesprek, dat we deze week met de spelers hadden, mogen we echter afleiden, dat ze niet bij de pakken zijn gaan neerzitten. Ze trainen, onder weinig ideale omstandigheden overigens, op het plein van de „Stadsdoelen”, want een zaal is niet beschikbaar. Op de tijd, dat de „Flamingo’s” oefenen, is de basketbalzaal van de „Doelen” namelijk bezet door een tamboerkorps, die de training van de eredivisieclub opluistert met een oorverdovend tromgeroffel, zodat het er veel van weg heeft, dat de schutters uit vroeger dagen hun traditie nog in de „Doelen” voortzetten.