Owen Wells, basketball virtuoos en aimabel mens 

Wie de naam van Owen Wells laat vallen, denkt meteen terug aan het Kinzo-tijdperk. Hij en die andere zwarte atleet uit Amerika, Joe Wallace. Zij lieten basketball zien dat in Nederland nog nooit vertoond was. Beiden gingen terug naar huis. Wells werd een gefortuneerde zwerver, Wallace raakte aan lager wal. Ver weg, ergens in Denver, moet-ie dagelijks bij andere verslaafden om een joint bietsen. Wells praat er niet graag over, maar is zijn speelmakker van vroeger bij Kinzo niet uit het oog verloren.

Owen Wells kwam naar Nederland en vond een plaats in de dure renstal van de Vinkeveense gereedschapshandelaar Kinsbergen die via zijn gesponsorde club Kinzo naambekendheid op de Nederlandse markt wilde verwerven. En door het aantrekken van onder andere Wells een begrip binnen het Nederlands basketball werd. En misschien wel ook een begrip binnen de Nederlandse sportwereld. Wells had namelijk wat vele coaches tegenstaat, maar vele sponsors met open armen zullen ontvangen: de gave om geheel alleen een zaal vol met mensen voor zich te winnen met bijna volledige uitschakeling van alle andere spelers op het veld. En wat- voor een zaal geldt geldt ook voor een huiskamer als er een televisiecamera staat. Wells was en is dus een publiekstrekker. Alleen, bij Wells kwamen die situaties vaak goed uit, werden nooit in het negatieve getrokken. Zijn ploeg leed niet onder de kunstjes die hij vertoonde omdat Wells wel een man was die deze trucs wist te doseren. Wells was de man die de Kinsbergen ploeg extra gas gaf in wedstrijden als zulks gevraagd werd. En als de beste kon de Amerikaan dat. Was er een zwakke tegenstander en zakte het publiek ia slaap vanwege de eentonigheid dan greep Wells in en gaf datzelfde publiek een paar schokken. Via acrobatische handelingen die semi functioneel waren, maar verschrikkelijk leuk om aan te zien, poetste hij de wedstrijd in een paar minuten op en het publiek was verder uiterst gelukkig. Men genoot en kwam de volgende keer graag terug.

Met name in het eerste jaar Amstelveen nam Wells deze rol op zich. Vaak toverde hij links en rechts wat ballen uit de broek en en passant scoorde hij veel. Zijn ploeg dreef dan verder, werd langzaamaan goed en behaalde het kampioenschap met een tevreden glimlachende Wells die de bloemen en de medaille aanpakte en verder niks zei.

In de tweede, zeg maar het grote jaar werd het spel van Wells wat soberder. Zo van tijd tot tijd ging hij nog wat te keer en maakte hij dubbele rietbergers als daar vraag naar was. Zijn club speelde voor de Europese beker, maar vreemd genoeg kwam Wells in de reeks van wedstrijden op een zijspoor uit. Samen met de met sterren volgestopte ploeg gleed Wells in dat tijdsbestek onderuit, iets dat voor de kenners en zeker voor het vaste kijkerspubliek een schokeffect veroorzaakte. Want in anderhalf jaar was de Amerikaan een volkomen idool geworden voor een bepaald soort publiek in Amstelveen. Het was een wat geaffecteerd publiek, mondain, modem, gespeend van iedere kennis van basketball, maar enthousiast, strak gekleed, chauvinistisch en absoluut knettergek van de kunsten van Wells. Als hij de bal had was het goed, als hij drie tegenstanders voor schut zette knapte de Bankrashal uit elkaar. Maar dat team, met Wells in het tweede jaar als een wat sober spelende alleskunner, viel uit elkaar toen de sponsor terug stapte. En dat betekende dat Wells geen baan meer in Holland had en naar Boston vertrok. Bij zijn moeder kon je als je hem tenminste wilde bereiken opbellen.

„Ik kreeg pas door hoe rot Amerika in elkaar zit, toen ik er tussenuit was geweest. Dankzij Theo Kinsbergen zijn mijn ogen open gegaan. O ja, ik ben mijn thuis nog niet vergeten, maar drie weken New Vork in een jaar is meer dan voldoende. Ik kwam er twee vrienden van vroeger tegen. Ringen om hun vingers en meer van dat uiterlijk vertoon. Pooier zijn ze nu en ze beseffen niet dat ze meer van hun leven zouden kunnen maken. Deze keer ben ik niet zo zeer teruggekomen voor het basketball hier. Ik ben gek van Europa, van Nederland, van Amsterdam. Deze maatschappij is lang niet zo bedorven als die waarin ik ben opgegroeid.”

Maar als alle werelddelen de basketballer Owen Wells aan de gang hebben gezien, zegt hij toch een eethuisje in Australië te zullen beginnen. De vrijgezel, 30 ondertussen, heeft in Amsterdam al eens om zich heen gekeken, „maar het wemelt hier van de tentjes, alle mooie plekjes zijn bezet”. Eerst heeft hij echter nog zijn zinnen gezet op een profcontract in Zuid- Amerika en wil hij nog als toerist door Afrika en China zien. Het geld hoeft daarvoor geen belemmering te zijn, want waar hij in de wereld geweest is, laat-ie een vette bankrekening achter.

Owen Wells ten voeten uit. Toen hij voor de tweede keer in Amstelveen gespeeld had, kreeg de globetrotter het in zijn kop om naar Parijs te gaan. Hij had er vrienden zitten. Wells kocht een treinkaartje naar Bologna in Italië, waar hij aan één seizoen bij de Europese topclub Sinudyne handenvol lires had overgehouden. Hij haalde wat poen op, genoeg om de zomer op Montmartre door te komen. „Daar in Parijs maakte ik Australische vrienden en van de ene op de andere dag wilde ik naar dat land. Ik ging naar een reisbureau en boekte voor Sidney. Ik ging er als toerist naar toe, bekeek er na een paar weken een wedstrijd en dacht bij mezelf: dit is het, ik kan hier nog aan de kost komen ook”.

Een Amerikaan in het Australische basketball was allang geen nieuwtje meer, maar een ex-prof van de Houston Rockets, dat hadden ze nog niet eerder meegemaakt. Commercials, interviews, demonstraties voor de jeugd van Australië, net als in Europa had Wells het weer prima naar zijn zin. En toen, toen ging ineens de telefoon: Theo Kinsbergen. „Hij wilde dat ik kwam. Hij had me nodig. Dat was vorig jaar november. Theo had zijn ploeg nog altijd niet compleet.

Ik zei: Nee Theo, ik doe het niet. Ik zit hier net en het bevalt me uitstekend. Krijg ik drie dagen later weer een telefoontje, het KLM kantoor in Sidney. Er lag een ticket, een enkele reis Schiphol, voor me klaar. Typisch Theo, we zijn dikke vrienden, maar zien basketball beiden als business. Ik moest die ticket op dat moment niet. In een brief heb ik hem uitgelegd waarom niet. We schreven elkaar al geregeld. In april van dit jaar een nieuwe brief van Kinsbergen. Of ik maar zo goed wilde zijn voor deze competitie wel weer naar Holland te komen.” Hij mixt een pilsje met jus d’orange. Schijnt nog te smaken ook … Bier puur, is voor Owen te sterk. Tot voor enkele weken had-ie nog geen pilsje aangeraakt. Hij is er dus laat bij, zoals hij ook pas op oude leeftijd interesse voor basketball kreeg. „Ik was zestien. Wat ik daarvoor deed? Precies hetzelfde als iedereen op die leeftijd: spijbelen van school, door Boston slenteren en ik kende er alle bioscopen.” En hij vertelt over zijn jeugd.

„Providence, Rhode Island, daar werk ik geboren. Ik was drie, toen mijn ouders een huis in Boston kochten, in een wijk met voor de rest allemaal blanken. Nu kan je van een ghetto spreken, na onze komst pakten de eerste blanken hun boeltje op en na verloop van tijd woonden er alleen maar zwarten. Door de sport kon ik er van los komen. Eerst in New Vork, waar ik in een paar basketbalcompetities tegelijk speelde, die van Brooklyn, Manhatten en Harlem. Na verloop van tijd belandde ik als prof bij de Rockets in Houston. Je voelt je een hele bink, je denkt niet meer stuk te kunnen. Maar om mij heen heb ik velen de vernieling zien ingaan en dat had ook mij kunnen gebeuren. Door de Rockets werd ik op zekere dag de laan uitgestuurd en daar zat ik dan. Werken, een baan voor hele dagen, van maandag tot en met vrijdag, dat had ik nog nooit gedaan en ik wist ook dat ik er nooit aan wennen zou. Ja en toen, toen kwam ik voor het eerst met Theo Kinsbergen in contact.” Wells zegt verscheidene keren aan Kinsbergen te hebben gevraagd hoe de zakenman uit Mijdrecht eigenlijk aan zijn naam en adres is gekomen. „En dan begint Theo meteen geheimzinnig te doen. Gaat ie maar een beetje grinniken. Een antwoord krijg ik niet, maar ik probeer het nog wel eens.” Wells en het Nederlandse basketballpubliek hadden al gauw veel met elkaar op. Hij als de dribbelaar, het circusnummer in een team (Kinzo) dat Wallace als dé afmaker kende en de Nederlandse Amerikanen Cramer, Faber, Fopma en Pluim als „de rest”. Het basketballvolk vond in de toeren die met name Wells uithaalde een uitgelezen tijdspassering op de zaterdagavond. Geen plaats in de Bankrashal van Amstelveen die toentertijd onbezet bleef.

Gekker nog dan hier liet de clientèle van Sinudyne Bologna zich daarna door Wells maken. Owen, wars van kapsones, ronduit een joviaal mens, vertelt over een sluiproute om dagelijks in de binnenstad van Bologna te komen. „Even vond ik het leuk een hele horde fans achter me aan, even want al gauw werd het hinderlijk. Ik heb wat afgezworven in Bologna, een stad met een schat aan historie. En Florence was heel dichtbij. In Bologna heb ik het meegemaakt dat crazy fans een glazen wand boven het hoofd van één van onze spelers insloegen. Die knaap had een slechte avond gehad en moest zo boeten. Daar in Italië ben ik op een kookcursus gegaan, wat me straks in Australië hopelijk van pas komt.”

Straks… Wanneer is dat? Geestelijk bereid Owen Wells zich al op een nieuw leven, zonder basketball, voor. In Mijdrecht, waar hij in zijn eentje op een drie kamerflat zit, met een grote blauwe Mercedes beneden op de parkeerplaats. Hij spreekt ondertussen aardig Nederlands en Italiaans. In Parijs studeerde hij een paar maanden Frans, maar die taal kreeg hij niet of nauwelijks onder de knie.

Wells kan zo sterk acteren en zoveel tegenstanders in een paar seconden uitspelen dat hij zich misrekent bij de laatste die dan nog zijn geschoten bal kan wegmeppen. Wells gokt altijd. Onbekende tegenstanders die hij moet verdedigen krijgen van hem bijvoorbeeld de kans te scoren. Hij daagt ze geheel onopvallend uit. Hij geeft ze ruimte, met iets van „hier, ga je gang, probeer tegen mij, tegen Owen Wells, maar eens te scoren”. En daardoor gokt hij ook nog weleens verkeerd. Maar Wells toont daarna direct karakter door keihard terug te komen. Zijn spel wordt dan wat strakker, hij verlaat het pad van de arabesken en zoekt de directe score op. Hij daagt mensen uit en verslaat ze. Hard en meedogenloos. Hij scoort en loopt terug. Met zijn blik op nul. Ik vraag me weleens af of hij zelf weet hoe goed hij dat kan. Hoe perfect hij een tegenstander kan inpakken, hoe vernederend dat vaak ook gebeurt voor die tegenstander.

Misschien is het écht zijn laatste seizoen in Nederland. Al weet je het nooit met Theo Kinsbergen, een man die zon enorme invloed heeft gehad op het leven van de reislustige Wells. „Van Theo zeggen de mensen dat hij een neus voor zakendoen heeft en dat-ie handig omspringt met de publiciteit. Velen onderschatten hem als coach. In een wedstrijd overziet hij de situaties en komt hij meteen met een tegenzet. Ik zou er in Nederland maar erg weinig weten, die hem daarin een lesje kunnen leren. En Theo is geen egotripper en dat zijn de meeste basketball coaches hier wel. Ze nemen een houding aan, zo van: wie heeft mij nog wat te leren. Ik ben prof, basketball is mijn vak en ik hoop dat we die Bankrashal weer stampvol krijgen. Maar misschien leven we wel in een andere tijd. Ik ben in ieder geval wel veranderd. Boeken, platen, musea, culturen hebben voor mij minstens zoveel waarde als een volle zaal die op mij afkomt. Leven en laten leven, misschien was het beter geweest als ik het drugsprobleem van Joe Wallace voor me had gehouden.”

Op 27 april 1993 overleed Owen Wells na een beroerte.

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s