De omgekeerde weg, via Nederland naar de NBA

(CP Photo/COA)

Op jonge leeftijd wist Jim Zoet, de Canadees met Nederlandse roots, al wat hij wilde ….. basketballen. Het kon hem niet schelen waar, hij wilde gewoon spelen. De weg die hij volgde bracht hem over de hele wereld, van Port Perry High school naar de universiteiten van Kent State en Lakehead, het buitenland en zelfs naar de Nationale Basketball Association.

“Als ik terugkijk op mijn basketball carrière kan ik alleen maar tevreden zijn en ik heb nergens spijt van”, vertelde Zoet.

Dat zou hij ook niet hoeven te doen. Zoet, nu 66, bereikte meer op de ‘hardwood’ dan de meeste Canadezen en hoewel het een kortstondige ervaring was, was het hoogtepunt van zijn spelers carrière om met shirtnummer 40 tijdens het seizoen 1982-1983 voor de Detroit Pistons uit te komen in de NBA.

“Ik was er maar een paar maanden, maar voor een Canadese speler om de NBA te halen, zelfs nu zijn er niet veel die het hebben gehaald”, vertelde Zoet mij, die op zijn 29ste dat seizoen in zeven wedstrijden speelde als een Pistons.

Hij was één van de laatsten die overbleven tijdens het trainings camp van de Atlanta Hawks, waarna de Pistons hem oppikten. Zoet zat in een Pistons-team met tweedejaars Isiah Thomas. Terwijl tijdens het camp in Atlanta een jong groentje met de naam Dominique Wilkins zijn neus aan het venster stak.

Zijn weg naar de NBA begon na de Highschool, toen hij met een beurs naar Kent State vertrok. Tot op de dag van vandaag is Zoet er niet zeker van hoe Kent State University alles over hem wisten of hoe ze aan zijn telefoonnummer zijn gekomen om contact te leggen, maar hij is blij dat ze dat hebben gedaan, ook al was de ervaring niet alles wat het was.

Zoet, een 2.16 lange center, verliet het team na het seizoen 1975-76 vanwege een geschil met coach Rex Hughes over zijn rol in het team en keerde hij terug naar Canada, waar hij ging spelen voor de Lakehead Thunderwolves in de CIAU (nu CIS).

Het ging voortreffelijk met Zoet in Thunder Bay, want hij werd een tweevoudige All-Canadian en in zijn eerste jaar bereikten de Thunderwolves de Canadese play-off finale. Hij was in die twee seizoenen goed voor 19 punten per wedstrijd.

Wat Lakehead betreft, Zoet bevond zich onlangs weer op de campus, omdat hij werd opgenomen in de “Wall of Fame”. “Elke keer dat je leeftijdsgenoten je herkennen voor wat je hebt gedaan in het leven, of dat nu gaat over werk of sport, het is een grote eer”, vertelde Zoet over de erkenning door Lakehead.

Zoet had niet meer gespeeld sinds hij een handvol jaren geleden deelnam aan de ‘World Masters’, maar het begon hem te jeuken tijdens de alumni game. Toen hij de wat jongere voormalige Thunderwolves zag spelen, begon het hem te kriebelen en trok hij zijn sportschoenen aan. “Ze waren daar lekker aan het spelen, en ik dacht hé, ik kan nog steeds dunken, dus laat ik het zelf nog eens proberen”, herinnert hij zich. “Zodra ik omhoogging voor een dunk, voelde ik dat mijn knie het begaf”.

De basketball carrière van Zoet omvatte ook verschillende seizoenen over de hele wereld en speelde hij in landen als Nederland, Engeland, Argentinië, de Filipijnen en Mexico.

In 1978 werd hij aangetrokken door Frisol Dordrecht. Hij kwam in een ploeg met de Amerikanen David Moore en Desmond Dennis en verder met Nederlandse jonkies als Marco de Waard, René Ridderhof, Hans Heydeman en Rijk van Dongen alsmede de Nederlandse Canadees Martin Gijsbers. Het team stond onder de bezielende leiding van “rookie” coach Maarten van Gent. Zoet was goed voor een gemiddelde van 20.1 punten per wedstrijd. Na dat seizoen wilde Theo Kinsbergen hem aantrekken om bij Amstelveen te gaan spelen, maar hij kon niet op tegen het bod dat het Engelse Coventry Zoet aanbood.

In 1980 werd hij uitgenodigd om met het Canadees nationaal basketball team uit te komen op de Olympische Spelen in Moskou, maar door de boycot van de Westerse wereld kwam hij daar niet in actie. In 2015 werd Jim Zoet opgenomen in de Canadese Basketball Hall of Fame.

Nadat Zoet gestopt was als prof-basketballer heeft hij zich vooral beziggehouden met het geven van basketball clinics en organiseerde basketballcamps voor de jeugd.

Jim Zoet is nu met pensioen en heeft zich met zijn vrouw gevestigd in Canadese Mississauga.

Terence Stansbury, ‘Ik wil niet worden herinnerd van de NBA dunk contest.’

De kans is groot dat wanneer de naam Terence Stansbury in je opkomt, een dunk ook in je opkomt. hij is de professionele basketbalversie van een playground legend. Hij duelleerde met Michael Jordan, gaf een nieuwe betekenis aan het dunken over mensen en introduceerde de ‘Statue of Liberty’ dunk in de basketbalwereld.

Eén dunk in het bijzonder.

Tijdens het NBA All-Star Weekend van 1985, georganiseerd door de Pacers in wat toen bekend stond als de Hoosier Dome, sprong Stansbury in de nationale schijnwerpers met een spectaculair optreden in de slam-dunk contest, waarbij hij over een op een stoel zittende teamgenoot sprong in zijn vlucht naar de basket.

Stansbury eindigde als derde, achter Dominique Wilkins en Michael Jordan. Onder degenen die achter hem finishten waren Julius Erving, Larry Nance, Darrell Griffith en Clyde Drexler – een selectie van enkele van de grootste dunkers in de geschiedenis van het basketball.

Het probleem van die gebeurtenis is dat het Stansbury voor altijd bestempelde als een dunker – een label, zo bleek, dat hij naar Europa moest reizen om zijn spelers carrière te vervolgen.

“De dunk contest veroorzaakte eigenlijk veel problemen omdat mensen vergaten dat ik, toen ik op Temple University zat, een denkende speler was, een jump-shooter, een man die in winnende teams speelde”, zei Stansbury. “Natuurlijk had ik atletisch vermogen, maar ik dompelde me zelden onder in wedstrijden. Het was mijn taak om het team te leiden, te verdedigen en de bal vier jaar lang niet weg te gooien bij Temple. Terwijl hij nog op de universiteit zat, bewees Stansbury dat hij niet alleen een ééndimensionale dunker was, maar ook een geweldige speler op de guardpositie.

“In mijn eerste jaar in de NBA, werd ik direct uitgenodigd voor de dunk contest. Ik herinner me dat ik te veel aandacht kreeg ten opzichte van de jongens die starters en sleutelfiguren in het team waren … Ik voelde me er gewoon slecht over.

“Het was een geweldige ervaring om destijds met de grootste dunkers ter wereld te zijn en drie keer op rij derde te worden, maar het heeft mijn NBA-carrière echt pijn gedaan, denk ik, want zelfs nu praten mensen over de dunks, was de focus – de dunks, de dunks, de dunks. Als je een fout maakt, is het ‘deze atleet kan rennen en dunken, maar hij kan niet spelen’. Maar ik kwam niet in de NBA vanwege mijn dunks, ik kwam daar vanwege mijn basketbal vaardigheden. ”

Het waren de Dallas Mavericks die Stansbury kozen in de eerste ronde in de NBA draft van 1984, hij werd overgenomen door de Pacers samen met Bill Garnett in ruil voor een toekomstige eerste-ronde-draft net voor het begin van zijn rookie seizoen.

Hij heeft goede herinneringen aan zijn relatief korte tijd bij de Pacers, met name aan de support van de fans voor een team dat in zijn twee seizoenen in totaal 48 overwinningen behaalde. Net toen de Pacers op het punt stonden door te breken, werd Stansbury door de Pacers geruild met Russ Schoene voor John Long van Seattle . Zonder die deal zou Stansbury, en niet Long, het antwoord zijn geweest op de trivia-vraag: wie was de laatste starter van de Pacers als shooting guard voor Reggie Miller?

“Het was een geweldige ervaring met de Pacers fans”, zei Stansbury. “Natuurlijk hadden we toen een verschrikkelijk team maar de fans waren er altijd. En ik vond het vreselijk om te vertrekken, ook al was het een worstelende ploeg. Ik wilde daar blijven en me proberen te ontwikkelen als speler bij de nieuwe technische staf toen ze Jack Ramsay binnen hadden gehaald (voor het seizoen 1986-87).

“Het was een vreselijk gevoel om weg te gaan als je weet dat je zo’n coach hebt. Maar ze wilden een ervaren speler en de ruil gebeurde.”

Hij bracht twee jaar door bij de Pacers en had een gemiddelde van 6.9 ppg terwijl hij in totaal 148 games speelde (hij startte er 31). Na slechts drie NBA seizoenen met de Pacers (1984-86) en de Supersonics (1986-87), nam Stansbury de moedige en gewaagde beslissing om niet alleen van team te wisselen, maar ook om te wisselen van continenten!

Eén van de ongetwijfeld meest spectaculaire basketball importspeler van de USA in de jaren tachtig, begon zijn Europese reis in Den Bosch, Nederland, en wilde graag iedereen zijn werkelijke basketbalwaarde bewijzen.

“Ik had besloten om een carrière in Europa te beginnen. Zoveel jongens tegen wie ik (op de universiteit) had gespeeld, waren in Europa en hadden een goede carrière, dus het was een leuk alternatief. Als je in die tijd professioneel basketbal buiten de Verenigde Staten wilde spelen, was Europa een mogelijkheid, en je kunt zoveel geweldige ervaringen op doen als je jong bent. ”

Na de aanvankelijke aanpassing aan de langzamere maar meer gestructureerde Euro-stijl van basketball, kreeg Stansbury een reële kans om zijn vaardigheden bij te spijkeren terwijl hij de point guard positie bekleedde voor het Franse team Levallois Sporting Club. “Het was natuurlijk niet alsof ik in de NBA zat. Maar het was 10 keer beter dan de CBA – misschien 100 keer beter, afhankelijk van het land en het team. ”

“Basketbal is over de hele wereld geëvolueerd”, zei hij. “Het verschil is wat er met (Amerikanen) is gebeurd. We spelen niet echt als een team op het niveau van de High scholen en de universiteit zoals we het deden toen ik een kind was. In Europa hadden ze niet de geweldige atleten, dus ze speelden altijd als team samen. Ze concentreerden zich altijd op het team. In Amerika speel je een-op-een voor jezelf en zorg je ervoor dat je schittert. Op die manier heb je de kans om naar (een) universiteit te gaan en als je de beste één-op-één speler en topscorer bent, krijg je de kans om in de NBA te spelen.

In Levallois, een stad die 6 km van het centrum van Parijs in het noord-centrale deel van Frankrijk ligt, werd Stansbury begeleid door de Amerikaanse hoofdcoach Reed Monson. Stansbury leerde snel wat de do’s en don’ts zijn van de point guard-positie, om een meer op teamgeoriënteerde stijl van baskbasketball spelen.

Natuurlijk werkte Stansbury naast zijn point guard-vaardigheden ook zijn uitzonderlijke slam-dunking-repertoire bij. Terwijl hij die uitvoerde, verbaasde hij zowel zijn teamgenoten als zijn tegenstanders! Terwijl zijn Amerikaanse collega’s Jordan en Barkley op de door Nike georganiseerde promotietours over het ‘Oude Continent’ toeren, begon Stansbury te schitteren voor Levaillois.

Na één seizoen in Nederland en twee in België, vond Stansbury een thuis in Levallois, Frankrijk, waar hij zes seizoenen speelde en meer werd dan een ster. Daarna ging hij spelen in Israël en Griekenland voordat hij in 1998 terugkeerde naar Frankrijk. Terwijl hij daarbij de Franse nationaliteit verwierf, liep zijn spelers carrière ten einde. Hij kreeg een voorliefde voor coaching bij Levallois in 1995 toen hij, terwijl hij geblesseerd was, werd gevraagd om op de bank te gaan zitten.

Hij was een ambassadeur voor de basketballsport en verdiende uiteindelijk een plaats in de Franse basketbal Hall of Fame. Stansbury werkte intensief aan de ontwikkeling van jeugdprogramma’s in Frankrijk en organiseerde drie-tegen-drie toernooien in het hele land om het spel aan zoveel mogelijk mensen te laten zien. Hij speelde in 13 overzeese seizoenen in vijf verschillende Europese landen en ging daarna als coach aan het werk in Finland, Luxemburg en Nederland (Rotterdam en BS Weert)

Hij zou heel graag op een dag terug willen keren naar Indianapolis om de Pacers te zien spelen. “Ik heb een geweldige tijd gehad in Indiana en ik ben blij dat ze succes hebben gehad”, zei hij. “Hopelijk kom ik in de toekomst terug om wat wedstrijden te zien, want ik ben nog steeds een Pacer. Niemand kan dat wegnemen.

Owen Wells, basketball virtuoos en aimabel mens 

Wie de naam van Owen Wells laat vallen, denkt meteen terug aan het Kinzo-tijdperk. Hij en die andere zwarte atleet uit Amerika, Joe Wallace. Zij lieten basketball zien dat in Nederland nog nooit vertoond was. Beiden gingen terug naar huis. Wells werd een gefortuneerde zwerver, Wallace raakte aan lager wal. Ver weg, ergens in Denver, moet-ie dagelijks bij andere verslaafden om een joint bietsen. Wells praat er niet graag over, maar is zijn speelmakker van vroeger bij Kinzo niet uit het oog verloren.

Owen Wells kwam naar Nederland en vond een plaats in de dure renstal van de Vinkeveense gereedschapshandelaar Kinsbergen die via zijn gesponsorde club Kinzo naambekendheid op de Nederlandse markt wilde verwerven. En door het aantrekken van onder andere Wells een begrip binnen het Nederlands basketball werd. En misschien wel ook een begrip binnen de Nederlandse sportwereld. Wells had namelijk wat vele coaches tegenstaat, maar vele sponsors met open armen zullen ontvangen: de gave om geheel alleen een zaal vol met mensen voor zich te winnen met bijna volledige uitschakeling van alle andere spelers op het veld. En wat- voor een zaal geldt geldt ook voor een huiskamer als er een televisiecamera staat. Wells was en is dus een publiekstrekker. Alleen, bij Wells kwamen die situaties vaak goed uit, werden nooit in het negatieve getrokken. Zijn ploeg leed niet onder de kunstjes die hij vertoonde omdat Wells wel een man was die deze trucs wist te doseren. Wells was de man die de Kinsbergen ploeg extra gas gaf in wedstrijden als zulks gevraagd werd. En als de beste kon de Amerikaan dat. Was er een zwakke tegenstander en zakte het publiek ia slaap vanwege de eentonigheid dan greep Wells in en gaf datzelfde publiek een paar schokken. Via acrobatische handelingen die semi functioneel waren, maar verschrikkelijk leuk om aan te zien, poetste hij de wedstrijd in een paar minuten op en het publiek was verder uiterst gelukkig. Men genoot en kwam de volgende keer graag terug.

Met name in het eerste jaar Amstelveen nam Wells deze rol op zich. Vaak toverde hij links en rechts wat ballen uit de broek en en passant scoorde hij veel. Zijn ploeg dreef dan verder, werd langzaamaan goed en behaalde het kampioenschap met een tevreden glimlachende Wells die de bloemen en de medaille aanpakte en verder niks zei.

In de tweede, zeg maar het grote jaar werd het spel van Wells wat soberder. Zo van tijd tot tijd ging hij nog wat te keer en maakte hij dubbele rietbergers als daar vraag naar was. Zijn club speelde voor de Europese beker, maar vreemd genoeg kwam Wells in de reeks van wedstrijden op een zijspoor uit. Samen met de met sterren volgestopte ploeg gleed Wells in dat tijdsbestek onderuit, iets dat voor de kenners en zeker voor het vaste kijkerspubliek een schokeffect veroorzaakte. Want in anderhalf jaar was de Amerikaan een volkomen idool geworden voor een bepaald soort publiek in Amstelveen. Het was een wat geaffecteerd publiek, mondain, modem, gespeend van iedere kennis van basketball, maar enthousiast, strak gekleed, chauvinistisch en absoluut knettergek van de kunsten van Wells. Als hij de bal had was het goed, als hij drie tegenstanders voor schut zette knapte de Bankrashal uit elkaar. Maar dat team, met Wells in het tweede jaar als een wat sober spelende alleskunner, viel uit elkaar toen de sponsor terug stapte. En dat betekende dat Wells geen baan meer in Holland had en naar Boston vertrok. Bij zijn moeder kon je als je hem tenminste wilde bereiken opbellen.

„Ik kreeg pas door hoe rot Amerika in elkaar zit, toen ik er tussenuit was geweest. Dankzij Theo Kinsbergen zijn mijn ogen open gegaan. O ja, ik ben mijn thuis nog niet vergeten, maar drie weken New Vork in een jaar is meer dan voldoende. Ik kwam er twee vrienden van vroeger tegen. Ringen om hun vingers en meer van dat uiterlijk vertoon. Pooier zijn ze nu en ze beseffen niet dat ze meer van hun leven zouden kunnen maken. Deze keer ben ik niet zo zeer teruggekomen voor het basketball hier. Ik ben gek van Europa, van Nederland, van Amsterdam. Deze maatschappij is lang niet zo bedorven als die waarin ik ben opgegroeid.”

Maar als alle werelddelen de basketballer Owen Wells aan de gang hebben gezien, zegt hij toch een eethuisje in Australië te zullen beginnen. De vrijgezel, 30 ondertussen, heeft in Amsterdam al eens om zich heen gekeken, „maar het wemelt hier van de tentjes, alle mooie plekjes zijn bezet”. Eerst heeft hij echter nog zijn zinnen gezet op een profcontract in Zuid- Amerika en wil hij nog als toerist door Afrika en China zien. Het geld hoeft daarvoor geen belemmering te zijn, want waar hij in de wereld geweest is, laat-ie een vette bankrekening achter.

Owen Wells ten voeten uit. Toen hij voor de tweede keer in Amstelveen gespeeld had, kreeg de globetrotter het in zijn kop om naar Parijs te gaan. Hij had er vrienden zitten. Wells kocht een treinkaartje naar Bologna in Italië, waar hij aan één seizoen bij de Europese topclub Sinudyne handenvol lires had overgehouden. Hij haalde wat poen op, genoeg om de zomer op Montmartre door te komen. „Daar in Parijs maakte ik Australische vrienden en van de ene op de andere dag wilde ik naar dat land. Ik ging naar een reisbureau en boekte voor Sidney. Ik ging er als toerist naar toe, bekeek er na een paar weken een wedstrijd en dacht bij mezelf: dit is het, ik kan hier nog aan de kost komen ook”.

Een Amerikaan in het Australische basketball was allang geen nieuwtje meer, maar een ex-prof van de Houston Rockets, dat hadden ze nog niet eerder meegemaakt. Commercials, interviews, demonstraties voor de jeugd van Australië, net als in Europa had Wells het weer prima naar zijn zin. En toen, toen ging ineens de telefoon: Theo Kinsbergen. „Hij wilde dat ik kwam. Hij had me nodig. Dat was vorig jaar november. Theo had zijn ploeg nog altijd niet compleet.

Ik zei: Nee Theo, ik doe het niet. Ik zit hier net en het bevalt me uitstekend. Krijg ik drie dagen later weer een telefoontje, het KLM kantoor in Sidney. Er lag een ticket, een enkele reis Schiphol, voor me klaar. Typisch Theo, we zijn dikke vrienden, maar zien basketball beiden als business. Ik moest die ticket op dat moment niet. In een brief heb ik hem uitgelegd waarom niet. We schreven elkaar al geregeld. In april van dit jaar een nieuwe brief van Kinsbergen. Of ik maar zo goed wilde zijn voor deze competitie wel weer naar Holland te komen.” Hij mixt een pilsje met jus d’orange. Schijnt nog te smaken ook … Bier puur, is voor Owen te sterk. Tot voor enkele weken had-ie nog geen pilsje aangeraakt. Hij is er dus laat bij, zoals hij ook pas op oude leeftijd interesse voor basketball kreeg. „Ik was zestien. Wat ik daarvoor deed? Precies hetzelfde als iedereen op die leeftijd: spijbelen van school, door Boston slenteren en ik kende er alle bioscopen.” En hij vertelt over zijn jeugd.

„Providence, Rhode Island, daar werk ik geboren. Ik was drie, toen mijn ouders een huis in Boston kochten, in een wijk met voor de rest allemaal blanken. Nu kan je van een ghetto spreken, na onze komst pakten de eerste blanken hun boeltje op en na verloop van tijd woonden er alleen maar zwarten. Door de sport kon ik er van los komen. Eerst in New Vork, waar ik in een paar basketbalcompetities tegelijk speelde, die van Brooklyn, Manhatten en Harlem. Na verloop van tijd belandde ik als prof bij de Rockets in Houston. Je voelt je een hele bink, je denkt niet meer stuk te kunnen. Maar om mij heen heb ik velen de vernieling zien ingaan en dat had ook mij kunnen gebeuren. Door de Rockets werd ik op zekere dag de laan uitgestuurd en daar zat ik dan. Werken, een baan voor hele dagen, van maandag tot en met vrijdag, dat had ik nog nooit gedaan en ik wist ook dat ik er nooit aan wennen zou. Ja en toen, toen kwam ik voor het eerst met Theo Kinsbergen in contact.” Wells zegt verscheidene keren aan Kinsbergen te hebben gevraagd hoe de zakenman uit Mijdrecht eigenlijk aan zijn naam en adres is gekomen. „En dan begint Theo meteen geheimzinnig te doen. Gaat ie maar een beetje grinniken. Een antwoord krijg ik niet, maar ik probeer het nog wel eens.” Wells en het Nederlandse basketballpubliek hadden al gauw veel met elkaar op. Hij als de dribbelaar, het circusnummer in een team (Kinzo) dat Wallace als dé afmaker kende en de Nederlandse Amerikanen Cramer, Faber, Fopma en Pluim als „de rest”. Het basketballvolk vond in de toeren die met name Wells uithaalde een uitgelezen tijdspassering op de zaterdagavond. Geen plaats in de Bankrashal van Amstelveen die toentertijd onbezet bleef.

Gekker nog dan hier liet de clientèle van Sinudyne Bologna zich daarna door Wells maken. Owen, wars van kapsones, ronduit een joviaal mens, vertelt over een sluiproute om dagelijks in de binnenstad van Bologna te komen. „Even vond ik het leuk een hele horde fans achter me aan, even want al gauw werd het hinderlijk. Ik heb wat afgezworven in Bologna, een stad met een schat aan historie. En Florence was heel dichtbij. In Bologna heb ik het meegemaakt dat crazy fans een glazen wand boven het hoofd van één van onze spelers insloegen. Die knaap had een slechte avond gehad en moest zo boeten. Daar in Italië ben ik op een kookcursus gegaan, wat me straks in Australië hopelijk van pas komt.”

Straks… Wanneer is dat? Geestelijk bereid Owen Wells zich al op een nieuw leven, zonder basketball, voor. In Mijdrecht, waar hij in zijn eentje op een drie kamerflat zit, met een grote blauwe Mercedes beneden op de parkeerplaats. Hij spreekt ondertussen aardig Nederlands en Italiaans. In Parijs studeerde hij een paar maanden Frans, maar die taal kreeg hij niet of nauwelijks onder de knie.

Wells kan zo sterk acteren en zoveel tegenstanders in een paar seconden uitspelen dat hij zich misrekent bij de laatste die dan nog zijn geschoten bal kan wegmeppen. Wells gokt altijd. Onbekende tegenstanders die hij moet verdedigen krijgen van hem bijvoorbeeld de kans te scoren. Hij daagt ze geheel onopvallend uit. Hij geeft ze ruimte, met iets van „hier, ga je gang, probeer tegen mij, tegen Owen Wells, maar eens te scoren”. En daardoor gokt hij ook nog weleens verkeerd. Maar Wells toont daarna direct karakter door keihard terug te komen. Zijn spel wordt dan wat strakker, hij verlaat het pad van de arabesken en zoekt de directe score op. Hij daagt mensen uit en verslaat ze. Hard en meedogenloos. Hij scoort en loopt terug. Met zijn blik op nul. Ik vraag me weleens af of hij zelf weet hoe goed hij dat kan. Hoe perfect hij een tegenstander kan inpakken, hoe vernederend dat vaak ook gebeurt voor die tegenstander.

Misschien is het écht zijn laatste seizoen in Nederland. Al weet je het nooit met Theo Kinsbergen, een man die zon enorme invloed heeft gehad op het leven van de reislustige Wells. „Van Theo zeggen de mensen dat hij een neus voor zakendoen heeft en dat-ie handig omspringt met de publiciteit. Velen onderschatten hem als coach. In een wedstrijd overziet hij de situaties en komt hij meteen met een tegenzet. Ik zou er in Nederland maar erg weinig weten, die hem daarin een lesje kunnen leren. En Theo is geen egotripper en dat zijn de meeste basketball coaches hier wel. Ze nemen een houding aan, zo van: wie heeft mij nog wat te leren. Ik ben prof, basketball is mijn vak en ik hoop dat we die Bankrashal weer stampvol krijgen. Maar misschien leven we wel in een andere tijd. Ik ben in ieder geval wel veranderd. Boeken, platen, musea, culturen hebben voor mij minstens zoveel waarde als een volle zaal die op mij afkomt. Leven en laten leven, misschien was het beter geweest als ik het drugsprobleem van Joe Wallace voor me had gehouden.”

Op 27 april 1993 overleed Owen Wells na een beroerte.

The J(G)eff Crompton Story

He was a most gigantic man. Not that 6’11 was especially unique along
Tobacco Row in the 1970s. The other big men for whom the coaches combed the high schools and playgrounds of America, were conspicuous enough. But most of the big men were thin and lithe in those days and moved with light steps around the campus seemingly indifferent to their height,often amidst a gaggle of kids half their size. Most of them seemed to me to have been pulled at both ends by supernatural forceps, leaving them with spindly ankles and calves, and almost no shoulders at all, and they loped down the court with hobby-horse gyrations.

But Geff Crompton was different. His lateral girth matched his vertical height: Atlantean shoulders, a massive midriff, great log-like thighs on which he walked pigeon-toed. His hulk could darken any corridor in the gymnasium, as he walked down it, head bowed, exhausted, in
pain, after a grueling workout to lose a few more pounds. He weighed 325 pounds when he arrived at Carolina as a freshman.
And weight was his Atlas-burden. The talk around town, amongst the basketball fanatics of Chapel Hill, never abated: if Crompton could only lose 40 pounds, he would be a sensation, as he had been in high school, where the differential between his size and that of his opponents was calculated by multiplication rather than addition. But in college he had to do more than just stand there. He could be a star, the fans jabbered, maybe even, with his quickness and sure hands, a superstar. His feather touch on offense, his comfort in the big man’s role as intimidator was needed on the Carolina team — to spell the great center Kupchak and take over when Mitch got into foul trouble. But at 300 pounds, Crompton’s problem was that he was good for only four minutes at a time – his endurance gave out after that. For those for minutes, however, he was equal to any in the league. It was not only that after four minutes Geff had trouble getting up and down the court quickly enough, but with so much weight, he had terrible pain in his ankles and knees, and he was easily injured.

Geff knew all this. Day after day, he lumbered around the track to make his mile, and when he had made it, he would push himself that extra half mile. It was painful to watch. When they timed him in the mile run, in October 1976, it took him 9 minutes and 23 seconds, compared to five ½ minutes for the other big men. But his coach, Dean Smith, wanted to be positive. He would point to Crompton’s quickness in the short distance: 4.8 seconds in the 40  yards dash. Geff had the best technical advice in the science of getting down to a comfortable playing weight, and the doctors said there was no genetic bar. He had tried Weight Watchers his freshman year at Carolina, when he was being seasoned on the junior varsity and scored nearly 20 points a game. And he had lost 30 pounds, bringing him down to 266 pounds, the lightest he had been since his sophomore year in high school. The summer after his freshman year, he went into the hospital under the care of the team physician for three weeks, drinking only Diet Pepsis, keeping his diet to 1800 calories a day, consulting with a dietician. Under that strict regimen, he lost another 15 pounds, but it was a Herculean struggle.

Then came the beginning of the 1975-76 season, a magnificent season for Carolina , after the drought of the David Thompson era at N.C. State. The Tar Heels took control of the ACC with an 11-1 record in the regular season. Mitch Kupchak, the courageous Pole who came off back surgery to have a superb season, made All American, was voted most valuable in the ACC, and went on to play in the Olympics along with three other Carolina teammates. In June, the Washington Bullets drafted Mitch in the first round.
But who would spell Kupchak? In November and December 1975, to nearly everyone’s surprise, it became Geff Crompton. In the first seven Carolina games, Crompton played in short and sometimes brilliant spurts. His sure coordination, quickness and good hands – the three chief values that distinguish one seven footer from another – were evident, and when he would enter the game, the crowd loved it, shouting encouragement for “Goliath” or “Honey Bear” or “Glide.” Crompton responded with 63% shooting and impressive rebounding.

The press began to talk of Geff Crompton “turning the corner.” Dean Smith praised his Number 2 center effusively, saying that on short duty Crompton was as good as anyone in the ACC. If only Geff lost another 30 pounds by December 1976, the fans would see a “really great player.” Still skeptics guffawed. To some, Crompton was too fat and was only using his weight as a hedge against failure. Others argued that despite his 7 feet, he played much shorter than that and was too slow. Still detractors said he was too dumb and could never handle the academic side of college life. It was a lot for an adolescent to bear.

In January 1976, after the Big Four Tournament, Crompton was suddenly in big trouble again. He had strained a muscle that extended from his knee to his thigh. He had two foot injuries and a bad cold. And in the second week of January, a box in the paper announced that Crompton had been declared ineligible. He had flunked a Portuguese course and received an incomplete in a botany course called “Plants and Life.” For the second time in two years Geff Crompton slunk home to Burlington defeated and depressed. The sports columnists said that
was the end of it and wondered why Dean Smith had stuck with Crompton so long.

Geff Crompton grew up on Hatch Street in the black section of Burlington, only several blocks from the huge Burlington Mills plant, and the textile plant got most of his friends from Hatch Street, if they did not flee to the northern industrial cities. Geff knew of only one other Hatch Street buddy who ever went to college.
His mother, who is nearly six feet herself, would say that the “big-boned” people were on Geff’s father’s side rather than hers, and Eugene Crompton, a plumber by trade, was 6’4”. In theunhappy times when Geff was home from Carolina during the school year, he would occasionally help his father in the plumbing business, but Geff has trouble getting into “tight places” where plumbers go. His parents recognized early that there was no future for Geff in Burlington.
“There’s nothing for him here,” his mother told. “Nothing for anybody really. People just go to work and come home.”

Geff enjoyed growing up tall. In the seventh grade, when average boys were 4’10”, he was 6’7”, and still climbing. When he began playing basketball in the 7th grade, the schools of Burlington integrated, but there were no problems at his school. Geff had known a number of public officials in his youth, who seemed to realize that his mere presence in tense situations always had a calming effect. Geff Crompton has never been in a fight.

When the recruiting of Crompton began in junior high school, he quickly became one of the most hotly sought-after players in the country. He would hear of scouts in the crowd who came to see him play, and the letters began of pour in, followed by the coaches’ visits. In high school, his team won his conference all three years and went to the State championships, losing once to a Charlotte team, led by his Carolina teammate and Olympic player, Walter Davis. In his senior year, Crompton was cited as one of the twenty best high school players in the nation. “In high school, I began to realize my potential. My coordination stayed with my height. I didn’t have to work hard at that, like, say, Mitch Kupchak did. Once I started to make a name for myself, a lot of people knew me, and wanted to do me favors, including the teachers. So I didn’t have to work too hard. My parents were going along with the basketball thing. Occasionally my father would complain to the coaches that I was having it too easy, but I didn’t pay much attention to it then. Now I know it got me into some bad habits.”

By his senior year in high school, Crompton had received some 500 letters from colleges around the country. He did not open them after a while, simply throwing them into a box in the corner of the living room. They came from as far away as Hawaii – “for a while I considered Hawaii, but it was just a dream” – and the coaches came to visit as far away as Cincinnati and College Park.
“Some would say right off the bat. You’re going to start. We need a big man, and they would discuss the other players on their team and their abilities. Some of the smaller schools, trying to get on the map, might offer things, the use of a car and such. But Coach Smith was different. He would sit down and talk to my family sometimes, when I wasn’t there, and I liked that. It showed that he wasn’t concerned only about me. On the question of starting, he said that I had a chance, but I would have to work very, very hard, and that appealed to me. I didn’t want it that easy.”

Despite his dream about Hawaii, Geff Crompton really didn’t want to leave his home state, but, his impressions notwithstanding, the coaches at UNC were not overly enthusiastic about recruiting him. The man-child was an academic risk, and Dean Smith prided himself then on the high percentage of his players who graduated in good standing and went on to useful careers outside of basketball. He steadfastly referred to his men as “student-athletes” and pointed proudly to his “Dean’s List” students. His student athletes, he argued, were playing basketball, while other students were goofing off, so that the time spent on academics was, or could be, more or less the same.

If Geff Crompton did not fit the Dean Smith image of a student athlete, neither did Smith want to play against him, and in Geff’s senior year in high school, N.C. State and Duke went after him. The coaches at State tried to sell their school not only on their basketball program, but escorted Crompton around their textile engineering facility, hoping that might impress the Burlington boy. “It impressed me a little bit,” Crompton told me, “because my mother had worked in one of the mills, and she enjoyed it.” But when Duke, the Princeton of the South, accepted Geff, UNC coaches felt Crompton’s academic qualifications might just be good enough for them after all, and so UNC made a pitch.
Coach Smith’s philosophy of recruiting was never to talk anybody into coming to UNC. He felt that if Chapel Hill was oversold, players later could get unsold, and leave the program. In recruiting, he simply laid out what UNC had to offer and hoped that the player would choose UNC cheerfully and voluntarily rather than be arm-twisted into choosing it. That was Smith’s personal posture, but he lets his former players and assistant coaches follow with the raamatazz like the talk about what a lofty gentleman Smith was and how the great coach was really “too good to be true.
The other recruiting rule that Smith followed was that he made no promises about making the team. To the most courted prospects in the school ranks, Smith would say only that they had a chance to make the first ten on the team.

“If I promised you a starting slot,” Smith would say to the youngster, “what would you think next year, when I go after someone with your size and your quickness? What would you think I might be telling him?”

The formula worked with Geff Crompton, and he chose Carolina. Upon signing, the big man, Smith told the press, “Any time you get the best basketball player in the State, you’re pleased. We’re particularly pleased that Geff wants to come to Chapel Hill with his unlimited potential. We’re confident he will reach his potential here.”
Crompton was admitted as the one exception allowed under the ACC rules for a player with a poor combined College Board score and low high school grade-point average. When he accepted Carolina’s offer, the ACC academic standards were higher than the NCAA standards for an athletic grant in aid, and even the NCAA standards are bendable. Indiana All Americans, Scott May and Bobby Wilkerson, and Olympic player Steve Sheppard of Maryland, were all accepted into college as exceptions to the NCAA academic standards, receiving normal student aid financing rather than an athletic grant-in-aid. But at first they were barred from competition for one year.

The perks for the Carolina basketball player were as heady then as they are today, and the frenzy always starts with the scramble for tickets. Since the players were given several tickets for each home day, Geff Crompton’s phone rang constantly days before home games, and he could even expect dorm room visits from businessmen, often total strangers, offering to buy the tickets at astronomical rates. The players get tired of signing autographs after the first year, Dean Smith insisted, but there were better souvenirs. Olympian Walter Davis was excused from an English assignment in early 1976, because, when he went to the bathroom in the library, he returned to find all his books and papers stolen. Meanwhile, the ceremonial duties of the players seemed endless: high school visits, banquets, speeches on such promotable topics as “the importance of education to an athlete,” but most of all visits to the hospital to perk up the spirits of “sick kids.”

Against this basketball mania, Dean Smith set down several rules for his entering freshman. But he imposed discipline only for that first year, hoping good habits would be established, and maturity would develop from there on its own. Freshman had to go to an enforced study hall at nights, had to show up for breakfast and attend class, and, unless parents wrote a letter to the contrary, they had attend religious services on the weekend. (He had only one letter in his coaching career, he told, from a parent saying their son could miss church.)
Each week, the freshman had to turn in a card to the basketball office, signed with an honor pledge, promising that he had abided by the rules. Smith talked endlessly, “until the players get tired of hearing it,” about the importance of getting a degree, and about the transitory nature of their notoriety.

“I tell them to recognize it for what it is,” he said. “ If they keep their feet on the ground, it can’t hurt them. I tell them: enjoy it, but realize that two years after you leave, no one will know you. And I tell seniors to leave Chapel Hill, unless they are going on to graduate school: the old basketball player hanging around the place of his glory is sad.”
In Coach Smith’s experience it was the second rank of players—those who “are not coddled and fussed over”— who had the easiest time later in adjusting to a job and to societylater. “They know what hard work and discipline is,” he told me.

In the first few weeks after Crompton arrived on campus, Smith sat down with him alone, as he did with all his new players. Geff admitted that he was scared and unsure of himself. The coach gave him the book, The Power of Positive Thinking, and “that helped a lot.” They talked about setting goals, short and long range. In the short run, Geff would have to work hard, stay in shape, watch what he ate, go to class, keep appointments. They talked also about Geff’s long range goal of playing pro basketball.
Even though Coach Smith had more players in the pros in 1976 than any other coach,— Charlie Scott of the Celtics, Robert MacAdoo of the Buffalo Braves, Billy Cunningham of the 76ers were the outstanding ones—and the talk about cash deals for his standouts was incessant,
Smith down-played pro talk. At the outset of a college career he asked players about their career ambitions: law school, dental school, or “if you’re good enough, pro basketball.” But he used this talk as a gentle motivator rather than a club.

In his freshman year, his “leading year,” as he called it, Geff Crompton responded to the discipline imposed under the Smith system. Since he was leading his junior varsity team in all statistics, he did passably well. He knew the price of failure. When he went home to Burlington, he saw what was happening to his high school friends.
“All they do now is hang around on the streets: working in the mill, getting off, staying around town, parked, sitting in lots, doing nothing,” he told. “ I knew I didn’t want that.”
To resist the bad influence of these old friends, he kept away from them, until he could return to summer school. There, he concentrated on his courses. When summer school was over, he went in the hospital under the care of the team physician for three weeks, and lost 15 pounds.

When practice began in the fall of ’75, Geff felt comfortable with his weight. He was enjoying the game again and excelling. It came as a surprise to him as well as to the press that he was touted as Kupchak’s first replacement. The roar of the crowds at his performance elated him. He began to dream about the pros again, thinking about it constantly, discussing pro contracts with the other players. The old bugaboo cropped up again: if only he lost more weight, he was headed for the NBA. The coaches weren’t saying that about everybody.
Geff’s academic load was mainly physical education and recreation courses, but he also took Elementary Portuguese, a notorious “slide” at North Carolina, even though it is not an easy language, and a famous botany course, Botany 10, entitled “Plants and Life.” It was taught by Dr. Willie Koch, the flower child of the tenured professors, who has scandalized the traditionalists by agreeing publically that his Botany 10 was not exactly the most taxing course at the university.
“Of course, Botany 10 is a slide,” he told the Daily Tar Heel, “I wouldn’t have my name associated with any course at this University that wasn’t. I wonder whoever had the dumb idea of attaching grades to the process of human growth and development. Perhaps the first teacher was a caveman who quit hitting animals with clubs and took up hitting students with grades.”
Sometimes instead of lecturing to his packed classes of 200 students, Willie had been known, allegedly, to show student-made porno films.
But “Plants and Life” and Portuguese were not exactly foremost in Geff’s mind that fall.

While he was enjoying his return to basketball, the old pain had returned to his legs, and soon he began to “fall back into my old ways.” He attended classes rarely if at all, and while he knew that eventually there would be a crisis, “I didn’t think it would be that bad.” Someone would help him out, he thought, as they always had in high school.
When the announcement appeared in the newspaper in January 1976 that Geff Crompton had been declared ineligible, with an F in Portuguese for non-attendance and an incomplete in Botany 10 —Willie Koch never failed anyone—Dr. Koch made a final gesture. In a conference with Crompton the professor laid out a modest program: “Here’s the least you can do to get through,” Willie remembered saying. Crompton considered Willie’s proposal for a moment in silence, and then let out a Goliath sigh. “It sure seems like a lot to do,” he said.

Several days later, crestfallen and discouraged, he returned to Hatch Street to watch on TV in his father’s paneled living room, amid his many trophies from high school days, as his college team piled up victories in the ACC without him, until his team mates lost badly to Virginia in the ACC Tournament, and finally were blown out ignominiously by Alabama, 79-64, in the first round of the NCAA Mideast Regionals. In that Alabama defeat, Mitch Kupchak had been soundly outplayed by another superior big man, Leon Douglas, who scored 35 points and went on to play with the Detroit Pistons.
Mitch could have used some big help in the Alabama game. His back had flared up again, and he knew it would be best not to play at all. But the pro draft was coming up, and Kupchak’s advisors had told him it would go better for him in the draft if he played badly thannot at all.

In the summer of ’76 Geff Crompton was glad to be back in school. His infectious smile, revealing that gap between his two front teeth, was broad as ever, and a small gold ball adorned his left ear lobe. He was retaking Portuguese 1 and a physical education course, and outwardly seemed unconcerned that the academic wall was getting higher all the time. He had to have several Bs to raise his grade point average and become eligible again. But in the first session, he made a C and a D: “It didn’t work out for me as well as I’d hoped,” he said. Already, another of Dean Smith’s recruits, Keith Valentine, who had been another academic exception to the ACC standards, had flunked out of school, and Dean Smith vowed that he would now stay away from academic risks entirely. Geff tried again in the second summer session with a Sociology course with no better success. He had perseverance, but in the often cruel talk of Franklin Street, fans wondered if he had the inner toughness.

“Geff really loves this place,” one fan remarked. “He really wants to play basketball and wants to go to the pros. He has the potential, and if he could get the academic side together, he would never have to work a day in his life, unless you call basketball work.”
Meanwhile, the Olympics focused national attention on Carolina. Dean Smith was now the Olympic coach, and he was constantly having to explain why four of his 12 players squad were from UNC, and 7 of the 12 from the ACC. Most fans were sure that Smith would have to cut one of the four Carolina players for political reasons. The coach had hoped for more big men, like Leon Douglas from Alabama or Robert Parish, 7’1” from Centenary, but they were saving themselves for the pros. So Smith settled for Mitch Kupchak as his big center. To the press, he said, in a statement that should not have escaped Geff Crompton.
“International basketball is very physical, and every one of these teams seems to have a 6’11” guy who weighs 250 lbs. Our lack of size won’t hurt us on offense, but it will at defensive center.”

Geff Crompton was trapped. He needed the playing experience in the ACC to have a chance for professional basketball, but his image as a less-than-successful “student-athlete” haunted him. And Dean Smith wasn’t counting on him. It would be wonderful if Crompton were around in the fall, the coaches felt, because the team sorely needed a very big man in the lane. But if he wasn’t, Smith was prepared. Over the summer he had had the terrific recruiting season for big men: Steve Krafcisin, a 6’9” player from Chicago Ridge, Illinois, Jeff Wolf, 6’10”, from Kohler, Wis., and Rich Yonakor, 6’9”, from Euclid, Ohio. The publicity said they were all “good students.”

But Geff was still in a tight place, where his father said, he had trouble maneuvering. Education was like a crutch. You could always fall back on it if basketball didn’t work out. “I’m not worried about them,” Geff said about Coach Smith’s new recruits as he relaxed one day after his afternoon workout. “I’ve got experience over ‘em.”

POST SCRIPT: Geff Crompton finally got his degree from UNC in 1977. In 1978 he was taken in the fourth round of the NBA draft by the Kansas City Chiefs and immediately traded to the Denver Nuggets. He bounced around the NBA and the Continental Basketball Association (CBA) for a few years and played one year overseas in the Netherlands, playing spot time behind other big men. In 1984, his final and best year in the pros, he was voted the Most Valuable Player of the CBA, playing for the Puerto Rico Coquís.

After his professional career ended, Crompton moved to Tallahassee, Florida and managed a restaurant. He worked for many years at UNC’s summer basketball camps up until his death. Geoff Crompton died on January 7, 2002 of leukemia.

Crompton’s first name is generally spelled “Geff” in UNC records, but is often spelled “Geoff” in records of his NBA career.

Zigeuners in de sport

Het zijn de zigeuners van de sport. Boomlange, donkere atleten, steengoede spelers, toch niet goed genoeg in eigen land, waar basketbal een cultuur is en de vedetten hun kunsten vertonen voor een salaris met zeven cijfers voor de komma. Te klein voor tafellaken, in de States wacht hen werkloosheid; te groot voor servet, daarom zwerven ze uit over Europa. Waar zij na het omrekenen in dollars van hen onbekende valuta in onbekende landen met onbekende mensen en onbekende clubs, beseffen dat zij zo hun hobby nog altijd winstgevend kunnen maken. Kunnen, want wanneer New York onder je verdwijnt en Europa opdoemt begint een veelal hol leven, dat bestaat uit een beetje basketball, veel verveling en een hoop toeval. Bed en bar bieden op den duur soelaas. Zolang je bevalt, zolang je coach tevreden is, het publiek je accepteert, en heel belangrijk jouw club een sponsor heeft, is er weinig aan de hand. Maar uitgezonderd een enkeling, zit niet één Amerikaan langer dan twee jaar in één omgeving, die toch al niet de zijne is en waar ’t enige houvast een basketball is.

Sinds Theo Kinsbergen met Kinzo liet zien dat ook een sportman een stuk gereedschap is, dat je heel simpel met veel geld veel Amerikanen en veel publiciteit kon kopen, is het basketball in Nederland door sponsors veroverd die in recordtijd hun slag willen slaan, en daarbij niet buiten ‘de Amerikanen’ kunnen. Want met de vaderlandse kwaliteit is het wat dat betreft gesteld als ‘vin du table’ naast ‘chateauneuf du pape.’ Al was Kinsbergen zo slim ze zelf te halen. Marionneaux, Wells, Washington, Downey, Lawrence, Moore, de naam doet er niet toe, als het publiek de ‘levende waar’ van de sponsor maar goedkeurt. Zo simpel werkt die formule. Voor de sponsor dan wel te verstaan. De persoon in kwestie, de sport zigeuner, telt niet. Naar hem wordt niet gekeken. De held van vandaag, is de prutser van morgen. Win je, dan blijf je. Verlies je, dan is daar de deur.

down

Dave Downey

In nagenoeg heel West-Europa heeft elke club in de hoogste afdeling twee of meer Amerikanen in huis. Vreemden voor elkaar in de Verenigde Staten, maar die samen klitten in den vreemde. Of niet langer kunnen omgaan met de luxe van het geld en de armoe van de geest en ontsporen. Torn Barker was bij landskampioen Nashua Den Bosch de held, tot dat hij enkele keren niet kwam opdagen en thuis in ‘bedenkelijke toestand’ werd aangetroffen. Bestuur noch mede spelers wensten zich anders uit te drukken, maar op de tribunes gonsde het nog wel quasi vrolijk van ‘Zo stoned als een garnaal’. In diepere achtergronden van de in één zucht afgedankte held is niemand geïnteresseerd. Verveling in den vreemde, nou en? De zigeuners van de sport zwerven toch wel verder. De geldbuidel rammelt, de makelaar hangt aan de telefoon, de volgende speler staat gereed.

De Nederlandse eredivisieclub die zich het langste tegen het gebruik van huurlingen heeft verzet speelt in Amsterdam. Toen Black Velvet Canadians nog Delta Lloyd heette en basketball in de vertrouwde Apollohal speelde waar tribunes warmte uitstraalden, was de iele springveer Dave Downey de held van de supporters.

moore

Jimmy Moore

Mindere prestaties en zijn regelmatig in ‘afwezige toestand’ aanwezig zijn, leidden ertoe, dat Downey kon gaan. The Kid van Kentucky pikte nadien vette druppels mee van Parker In Leiden, hing vervolgens rond bij Hatrans in Haaksbergen en keerde dit jaar weer vrolijk terug in Amsterdam, waar hij, met een andere nieuwkomer Jimmy Moore, nu de degradant van 1983 tot play off-klant van 1984 moet maken. Zelfs het tot dan maagdelijke Canadians van peetvader Bram Brakel speelt nu -zij het bescheiden- het pokerspel waarvan de Amsterdammers altijd de grote jongens Den Bosch en Leiden betichtte.

Downey (27) houdt van Amsterdam, „Daar kan ik mijn geld uitgeven”, maar weet nu al dat die ‘fantastic town’ nooit zal tippen aan de metropolen in zijn vaderland waarnaar hij elk jaar nadrukkelijker hunkert. Maar voorlopig is hier de zekerheid van geld, en van basketbal. Downey en Moore hebben drie maanden het flatje gedeeld van de club aan de Oud-Diemerlaan, de étage waar Delta Lloyd Hank Smith ooit liet logeren. Downey zit nu verstopt bij zijn vriendin in Uilenstede, Moore heeft tenminste weer het rijk voor zich alleen, al is Diemen dan geen Mississippi.

Jimmy Moore (31) weet zijn plaats. Is tevreden, en voelt zich niet de zwerver van de States die in Europa met de sport de ‘struggle for life’ is aangegaan. Als knaap van 22 werd hij door een New Yorkse agent van de lijst geplukt en op de kaart van Europa vastgeprikt in het stipje Enschede. Het begin van ook een zwerftocht. Arke Reizen, twee seizoenen. Mulhouse (Frankrijk), twee seizoenen. Frisol Delft, twee seizoenen. Donar Groningen, twee seizoenen. Black Velvet Canadians, eerste seizoen. En zoals voorzitter Brakel gekscherend opmerkte „Dus bestaat de club nog een jaar. Want Arke-, Frisol- en Donar-na-Moore hebben nooit meer bestaan”.

Moore kent het Leidseplein, maar heeft de zelfdiscipline om voortdurend te beseffen waarvoor hij in Europa is, al valt dat in deze tijd niet licht. „Christmas is for me one long telephone-call”, zucht Moore niet zonder emotie, ‘Kerstmis vier ik per telefoon. Moore komt uit een groot gezin (5 broers, 3 zussen) met een hechte band. Hier, in de omgeving die niet de zijne is, beseft Moore terdege: „Het leven van mijn vrienden gaat door, waar ik het heb afgesneden. Ik leef in twee werelden, negen maanden voor mijn werk in Holland, drie maanden vakantie in mijn eigen land. Ik heb hier heus vrienden, vooral buiten de sport. Want als ik het veld afstap, wil ik over iets anders praten dan over basketbal. Veel collega’s hangen hier rond, verspillen kostbare tijd van dat ene leven wat we hebben gekregen”. Naast de competitiewedstrijd, traint Moore per week vier avonden, geeft op Amsterdamse scholen twee clinics per week, maar zet zich de rest van zijn tijd af tegen zijn sport. Duikt diep in boeken, studeert voor sportleraar. „Ik heb mijn eerste graad. Ik ben bezig voor mijn tweede, want als ik stop met spelen, begint mijn leven als basketballer weer helemaal opnieuw. Maar dan als coach van een Amerikaans team. Ik beschouw mijn sport als mijn werk. En dat doe ik tijdelijk hier. In Amerika heb Ik één keer een avontuur als prof geprobeerd, bullshit, nooit meer. Ik heb me meteen opgegeven voor Europa. Het bevalt me hier best, maar ik ben hier geaccepteerd als basketballer, zo kennen ze me. Of ze me als mens accepteren ….. nee, op die vraag kan ik geen eerlijk antwoord geven…”

What the Hell Happened to…Tom Barker?

“I like him. For a guy who hasn’t even had the time to learn the plays, he’s done all right. He can shoot a little and rebound and moves well.  He’s not afraid to shoot and he has better hands and is smarter than Earl Williams. In the last few games he’s contributed quite a bit.”   – Dave Cowens on Tom Barker.

Tom is the pride of Weslaco High School in Weslaco, Texas. His sister Rochelle was the fastest girl in the 100-yard dash in the late 60s and early 70s and still holds the records as the fastest ever girl from deep South Texas. As for Tom, he took the most circuitous of routes in college. He began at the University of Minnesota for his freshman year, but left claiming he “didn’t care for (head coach) Bill Mussellman” and his crew of gunners. He then transferred to a junior college, the University of Southern Idaho. They had been known around that time for producing some pretty big time players including Ricky Sobers, Ron Behagen and Tim Bassett.

After winning the national junior college player of the year at Southern Idaho where he averaged 22 ppg and 10 rpg, Tom signed a letter of intent with Norm Sloan and the defending National Champion NC State Wolfpack in May of 1974. But then something happened.  During the first weekend of August in 1974, Barker enrolled at the University of Hawaii. Sloan for one was still optimistic: “I don’t think this decision Tommy made over the weekend was his decision.  The final registration date is the important thing for us.”

But Tom never went to NC State. He decided to sign on with coach Bruce O’Neil and the University of Hawaii. The loss for NC State was a huge blow as they had just lost center Tom Burleson to graduation, the role Barker was supposed to fill. Meanwhile Tom went on to be a star at Hawaii before being drafted by the Hawks in the 4th round of the 1976 draft (for any of you thinking the 4th round is nothing special remember that Tom was the 53rd overall pick, which means he easily would’ve been a second round pick in today’s overexpanded NBA).

After going through basketball extremes in college, it didn’t get any easier for him in the NBA.  He played 59 games for the Hawks averaging 8 ppg and grabbing 401 rebounds.  But the Hawks coach at the time, Hubie Brown, preferred someone with more muscle to play the pivot whereas Barker was more willowy and didn’t fit the role.  Hence he’d be waived after one season with the Hawks only to find himself in the Eastern League playing for the Jersey Shore Bullets, which was the NBA Minor League at the time.

Tom tore up the NBA Minor League and was averaging an astounding 25.5 ppg and 19.8 rpg average. He first got called up by the Rockets where he played 5 games but wound up being cut and was available when the Celtics traded Dennis Awtrey away and Rick Robey got injured. As for Tom, he considered himself lucky to that point and was rather humbled by the NBA Minor League experience: “I admit it.  I was spoiled. I’d played at Southern Idaho, a school that had produced Tim Bassett, Ron Behagen and Ricky Sobers.Then I went to Hawaii where everything was done for you. I got used to things, and I wasn’t quite ready for the pro game, where they expect you to be ready every night.”

He continued: “Playing in the Minor League can bring you down in a hurry.  You don’t have any frills in that league. You just showed up each night and played. I found out a few things about myself and I know it helped me mature a lot. I just hope I can continue to improve in the next 10 days here.”

However his time in Boston would be brief. Two 10-day contracts, 12 games and 53 points scored before being moved in the trade for Bob McAdoo. It came down to Barker or Curtis Rowe, as Knicks GM at the time Sonny Werblin explained: “The deal called for us to get Tom Barker or Curtis Rowe at (Celtics’ owner) John Y. Brown’s option.  He now tells me he won’t give up Rowe so we’ll take Barker.”

And that was that for his time in Boston. But not before player-coach Dave Cowens, he of the complimentary quote above, was peeved: Cowens liked Barker as a prospect. He also liked the idea that the Harlingen, Texas youngster could fill in for him at center whenever he felt he needed a rest. Cowens liked Barker enough to give him his personal assurance he’d stay with the Celtics the rest of the season.  But the club owner outranks the coach so Barker wound up going to the Knicks and Cowens didn’t like it one bit.

  • Interesting in that article how it explains the Celtics took both Rowe and Barker on their trip to San Antonio, hoping that Frankie Sanders would be the guy that would go to the Knicks. It didn’t work out that way.

One other absolutely fascinating story of when Tom was on the Knicks.  During the first portion of his 22 game stint as a Knick, Tom’s jersey did not have a number on it. It was a generic jersey so before each game, Knicks’ team trainer Mike Saunders wrote a big # “6” on Tom’s jersey with a piece of chalk. Imagine that!

After 22 games with the Knicks, Barker left to play one year in Italy (Basket Mestre) and three seasons in Holland (Nashua Den Bosch). In 1981 his rights were traded to the Portland Trailblazers, though he never reported there.

For the second time in the past month we were “aboutthisclose” to making this a full interview with Tommy.  We received his phone number and email address and even received a text message back from him.  But after numerous attempts it seems Tom wasn’t too interested in speaking.  We can only respect his privacy.  But we couldn’t tell you what he’s been up to, we can for Tommy!  Currently he’s been living in New York state (the Syracuse area) and has been a truck driver for quite some time now.  In fact this year he was slated to be inducted into the Rio Grande Valley Hall of Fame but had switched jobs recently and couldn’t get the vacation time off he needed to make the trip down there.   The folks there are hopeful he can make it down in 2015 to receive his honor.

Coach De Wit: “Top kent geen genade”

Nog even een oudje uit het archief. Over coach Rob de Wit die met zijn toenmalige team Herly twee prachtige wedstrijden speelde tegen Olympia Ljubljana uit het toenmalige basketball bolwerk Joegoslavië.

Herly heeft de afgelopen veertien dagen in de strijd om de Europese basketball beker bijna gezorgd voor een prestatie die de sensatie van het seizoen geweest zou zijn. In Amsterdam klopte de Nederlandse kampioen Olympia Ljubljana met twee punten verschil. In de tweede ontmoeting moesten de Joegoslaven alle middelen te baat nemen om een overwinning te bereiken die hen het gunstige totaal over twee wedstrijden verschafte. Dat lukte net (verschil: drie punten!) en Olympia ging dus over naar de kwartfinales. Wat is er nu de oorzaak van dat de kampioen uit het internationaal (bij de heren) bescheiden geklasseerde Nederland het de vertegenwoordiging van een land dat tot de wereldtop behoort, zo lastig maakt? De verkoopleider van een firma in paraffine. Rob de Wit, is in staat hierop antwoord te geven. Zijn spaarzame vrije tijd besteedt De Wit namelijk voor een belangrijk deel aan het trainen en coachen van Herly. Nuchter stelt hij: „We moeten niet vergeten dat Olympia twee topspelers miste. Zorfa en Bassin maken momenteel een trip door Amerika met het Joegoslavische nationale team. Als wij in Amsterdam met meer dan tien punten verschil hadden gewonnen — en dat heeft erin gezeten — had het bestuur van Olympia deze twee mensen teruggeroepen.

Nu dachten ze de kleine nederlaag met de steun van het eigen publiek gemakkelijk te kunnen corrigeren. Dat is ze dan lelijk tegengevallen. „Als het even anders was gelopen hadden we ons geplaatst,” vervolgt De Wit met een ondertoon van spijt in zijn stem. „Helaas hadden de scheidsrechters de toestand niet in de hand. Gedurende de gehele wedstrijd er rotjes en rookbommetjes op het veld gegooid. Bij voorkeur als één van mijn spelen strafworpen mocht nemen. De scheidsrechters durfden hiertegen geen maatregelen te treffen. De officiële waarnemer van de internationale bond vond het geloof ik allemaal nogal amusant. Ik heb grote bewondering voor al mijn spelers, die in deze hel overeind bleven. Zesduizend toeschouwers begeleiden iedere aanvalsactie van Herly met afkeurend gefluit. Ik hoor het nog. Tijdens de time-outs kon ik mij nauwelijks verstaanbaar maken.” Rob de Wit — die gedurende de trip naar Joegoslavië éénendertig jaar werd — beleeft het allemaal opnieuw. Koel analyserend in zijn kantoor aan de Amsterdamse Keizersgracht meent hij ook te weten wat daar in de afgeladen sporthal met vijandig publiek in Ljubljana, de juiste gedragslijn geweest zou zijn toen hij vijfenvijftig seconden voor het eindsignaal zijn team in een time-out bij een achterstan van vier punten de laatste instructies gaf. Het is nakaarten. Nutteloos.nakaarten? „Nee’„ zegt De Wit. „Een coach moet na iedere wedstrijd zijn beslissingen nog eens rustig overdenken. Zeker na een verloren wedstrijd. Op die wijze achterhaalt hij eventuele fouten. Op die wijze komt hij tot een steeds hoger niveau”.

De Wit heeft uitgesproken meningen over basketball. Zeer beslist stelt hij bijvoorbeeld: „De dubbelwedstrijden die men dit seizoen in de eredivisie heeft ingevoerd zijn een ongelooflijke vooruitgang. Ik weet dat velen er ander* over denken, maar ze hebben ongelijk. Ik mag dat zeker zeggen, want als men geen dubbels had ingelast, leidde Herly nu in de competitie met een voorsprong van zeker zes punten. Misschien is het spel er niet altijd mooier op geworden maar mentaal vooral heeft deze maatregel de spelers gunstig beïnvloed. Ik durf stellen dat onze prestatie in Joegoslavië voor een deel te danken is aan die dubbels in de Nederlandse competitie.” Weer dwaalt hij af naar die sporthal in Ljubljana. „In de eindfase hadden onze jongens notabene meer lucht dan de tegenstander,” zegt hij trots. „Ondanks de treinreis, ondanks de vreemde omgeving. Ook ondanks het feit, dat het tempo van de wedstrijd hoger lag dan in Amsterdam. De jongens hebben gevochten tot de laatste seconde. Karel Vrolijk had na afloop geen energie meer om uit het veld tot bij de spelersbank te komen. Ik moest hem dragen.”

Coach De Wit was twaalf jaar toen hij als leerling van het Amsterdams Lyceum kennis maakte met basketball. Spoedig werd hij lid van Herly. Zijn top als speler bereikte hij, toen hij werd gekozen voor het Nederlands militair team. Met dit team reisde hij naar Syrië voor de inter-geallieerde kampioenschappen. Toen ook werd de basis gelegd voor zijn coach-schap. „Ik ergerde me tijdens die trip vreselijk aan de dilettantistische opvattingen van de leiding,” legt hij uit. „Ik had ook toen al uitgesproken meningen over alle zaken het basketball betreffend. Alhoewel ik mijzelf geen moment als toekomstig coach of trainer beschouwde.” Toch bekleedde hij reeds twee jaar later deze gecombineerde functie. Hij deed ervaringen op met de jeugd van Herly, de dames van Blue Stars en met U.S., de Amsterdamse studenten ploeg. Met Landlust bereikte hij zijn eerste top. Vla bikkelharde trainingen maakte hij van deze ploeg een internationaal gewaardeerde tegenstander, die in de Nederlandse competitie alleen in Wolves een te respecteren tegenstander vond. „Daarom viel Landlust tenslotte ook uiteen,” zegt De Wit. „Het verveelde de jongens iedere competitiewedstrijd met dertig, veertig punten verschil te winnen.”

Ga dan maar

Herly was er als de kippen bij oud-lid De Wit, toen hij zijn contact met Landlust beëindigde, aan te trekken. De Wit accepteerde de uitnodiging en zorgde voor een enorme schok. „Herly was een gezelligheid vereniging.” verklaart hij. „Een vereniging zoals je ze nog wel hebt. Die rondbazuint: jongens kom toch bij ons spelen, dan hoef je niet te trainen. Ik begon met vier maal per week te trainen. Dat is natuurlijk niet vol te houden, maar ze moesten even vertrouwd raken met mijn opvattingen. Verschillende jongens die er te weinig voor over hadden, heb ik duidelijk gemaakt dat ze beter konden vertrekken. De spelers moesten beseffen, dat voor topniveau gemeenschappelijk een offer gebracht moest worden. Ondanks de drie nederlagen die Herly deze competitie reeds leed, gelooft Rob de Wit heilig in de kwaliteit van zijn team. „Langzamerhand beginnen ze het internationale basketball een beetje te begrijpen,” zegt hij waarderend. „De ploeg beschikt bovendien over alles wat nodig is. Een sterke, lange centrum-man, schutters, een virtuoos, een paar uitnemende verdedigers en allround-figuren. Verder hebben we als enige ploeg in Nederland een manager. Deze man, Sifflon Schilp, is goud waard. Hij organiseert alles. De laatste weken voor de wedstrijden voor de Europese beker wilde ik iedere dag trainen. Hij regelde het. We spelen buiten de competitie om veel extra wedstrijden. De meeste Nederlandse ploegen spelen niet genoeg. Ze beperken zich tot die tweeëntwintig competitiewedstrijden. Wij spelen ieder seizoen dertig tot veertig wedstrijden. Voordat deze competitie begon had Herly al twaalf keer gespeeld. En dat is dan nog de helft minder dan het aantal dat de Belgische kampioen, Racing Mechelen haalt.”

Wat doet Rob de Wit als Herly net als Landlust ineens uit elkaar valt. Als de spelers de inspanningen op pro-deo basls die top-basketball eist niet meer zouden kunnen opbrengen? Of als topfiguren verhuizen — zoals nu dreigt met Karel Pastor die in het huwelijk wil treden en dan in België wil gaan wonen, waar je zonder meer een huis kunt huren, en waar hij bovendien met basketball geld kan verdienen. „Ik geloof niet dat lk het nog een keer presteer van de grond af aan te beginnen, zoals met Herly en Landlust,” bekent De Wit. „Dan richt ik mij waarschijnlijk op mijn andere hobby. Biljarten. Dat doe ik ook nogal Intensief. Ik speel momenteel In de hoofdklasse llbre klein biljart. Waarschijnlijk promoveer ik wel. Als lk iets begin, doe ik het graag een beetje behoorlijk.”

Sharone Wright, ‘The sense of entitlement’

Talking to an ex pro teammate about the sense of entitlement that some of these kids have when it comes to basketball. I walked up Canterbury rd and Key street each night after a Duck Richardson practice at 9pm. It’s called wanting it. Most of my teammates were from south Macon so they weren’t going my way to unionville. I just wanted it bad ! Nowadays they want it handed to them. It’s crazy.

I was always ridiculed and made fun of because I didn’t the best clothes or because I was way taller than everyone. Money was very very tight on welfare and we barely made it monthly. That feeling that you’re not good enough or cool enough. I experienced a lot of anxiety with school and how we lived.

But I kept going and dreaming-yet I understood that nothing would be handed to me ever! I learned from my coaches that you have to be strong and resilient. So when I see ungrateful athletes who want it handed to them it bothers me a lot. My own kids are this way at times. Part of that is my fault but I always wanted to work hard to get what they wanted.

Quick story… I’m in 5th grade and playing for a sixth grade team at Unionville under a man named Darrell Glover. He was a very tough coach but he was successful. I wasn’t the best on the team as that was Antonio Wooten and Willie Ware and two other kids. They all lived in the same area yet I lived in the bottom of unionville like 3 miles away. We were scrimmaging and coach laid into me saying I’m a wasted pick and that I’d never be a player. He was just trying to motivate me. In that scrimmage I decided then that I was not gonna take the smart remarks and put downs anymore so I got my courage up and outplayed everyone. I went from the ridiculed to a workhorse.

From then on I took names and tried to kill everyone. I was playing angry all the time yet the game was not fun for me. I was gonna show everyone who teased me all those years a lesson. Even as a pro I did this. I think it’s why when asked did I enjoy theNBA I always say no. Half the time I was too busy trying to prove a point to people in my life or neighborhood. Eve on a national scale as one of the best players in the world I was still searching for validation with people that didn’t matter.

I know this pointless to some of you but it’s just a passage on what matters and also how to not be entitled in your life. No one owes you anything. Go out and work for it.