Basketball, een nieuw spel voor ons land

26/11/2013    Door: Fred Roggen

Kon het niet laten, een prachtig stukje over het begin van het basketball in Nederland.

De Corinthian; Geillustreerd weekblad voor amateursport  07-11-1930

07-11-1930

Basketball, een nieuw spel voor ons land.

MAAR WAAR IS DE „BASKET?”

Gaven we in een vorig nummer een plaatje van een nieuw ingevoerd spel „Schwingball” dat we aan onze Oostelijke naburen danken, ditmaal een praatje bij ‘n plaatje over Basketball, dat Engelsche sportvrienden hier voor ons gedemonstreerd hebben.

Toch was het niet de eerste keer, dat we basketball zagen spelen, want ten tijde van de Olympische Spelen in Amsterdam speelden de Argentijnsche voetbalwonders het spel bij hun hotel te Bloemendaal als afwisseling van de regelmatige voetbalkost.

Thans was te Amsterdam een ploeg van de Engelsche Young Men’s Christian Association aanwezig, die uit propagandistisch oogpunt geslaagde demonstraties gaf van dit spel, dat vergeleken kan worden met korfbal, doch zich kenmerkt door een geoorloofde grootere forschheid en daardoor moeilijk ,,mixed” gespeeld kan worden.

Het spel wordt in een beperkte ruimte gespeeld en leent zich dus bij uitstek voor zaalspel, doch het kan zeer zeker ook in de buitenlucht worden beoefend. De beperkte ruimte is oorzaak, dat een ploeg uit vijf menschen bestaat, die vrijwel alle voortdurend in volle beweging zijn, waardoor een groot uithoudingsvermogen vereischt wordt en de wedstrijden slechts tweemaal twintig minuten duren.

Evenals bij voetbal hebben de spelers van het team een bepaalde taak: twee achterspelers en drie voorwaartsen. Men zou zeggen dat het doel van het spel is, den bal door den mand (basket) te werpen. Een mand is het echter niet. Het „doel” bestaat uit een ijzeren ring met een net zonder bodem er onder. Deze ring is bevestigd aan een bord van circa twee meter in het vierkant en geroutineerde spelers — zooals de gasten-Engelschen — wisten van dit bord een gced gebruik te maken door met effect den bal van het bord door den ring te doen verdwijnen.

Een pas lopen is geoorloofd. Solospel eveneens, doch dan is men verplicht den bal na eiken pas te laten stuiten. De Hollanders werden door dit „dribbelen” herhaaldelijk verrast.

Tenslotte vertellen we nog, dat voor elken geslaagden doelworp twee punten worden toegekend. Ook strafworpen, binnen het „strafschopgebied”, tellen voor twee punten, terwijl geslaagde straf worpen daar buiten voor 1 punt tellen. Ook bij dit spel worden dus „korfbaluitslagen” verkregen en de uitslagen op de Dinsdagavond demonstratie waren b.v. 20—6 en 28—14, resp. tegen een korfbal-vijftal en tegen een A.M.V.J.-team.

Overtredingen splitst men in twee groepen, te weten persoonlijke en technische. De eerste worden streng gestraft daar men dit spel — waarin het nog al eens „hard” kan toegaan — anders moeilijk meester kan blijven. Voor deze zg. „personal fouls” is een aparte scheidsrechter, die een speler, die vier dergelijke overtredingen begaat, van het terrein van den strijd verwijdert.

Het is een aardig spel voor de toeschouwers, daar de strijd zeer levendig is en veel behendigheid van de spelers vereischt wordt. We gelooven zeker, dat men het meer en meer ook in ons land —evenals dat thans reeds alle Angelsaksische landen het geval is — zal gaan beoefenen en als wintertraining voor athleten of als oefening om de spieren lenig te houden voor onze voetballers zou dit mannelijke spel zeer geschikt zijn.

1930Op de foto een overzicht van een basketball match tijdens de propaganda-wedstrijden in het gebouw der A. M. V. J., te Amsterdam, tusschen een team der Engelsche Central Y. M. C. A. en een team Hollandsche korfballers. Op den achtergrond ziet men den plank en den ijzeren ring met net, waarin de bal moet worden gedeponeerd.

Tom “The Beast” Chestnut kijkt terug

In deze flashback kijken we met de Amerikaan Tom Chestnut onder anderen terugop zijn Nederlandse jaren bij Fiat Stars. Hij behoort tot het selecte groepje  “legendarische Amerikanen”, die in ons land hebben gespeeld en daarbij  een onuitwisbare indruk hebben achtergelaten.

Hij kreeg al snel de bijnaam “The Beast”,  mede door zijn agressieve speelstijl. Chestnut werd twee jaar achtereen topscorer van de eredivisie, maar kon geen titel op zijn erelijst bijtekenen daar aartsrivaal Levi’s steeds iets te sterk was voor zijn team Fiat Stars.

Na zijn terugkeer naar Amerika begon hij te werken aan zijn maatschappelijke loopbaan. Tom kwam dankzij SportChannel NY in 1983 terug in de sportwereld, waarbij hij later hoge functies beklede bij de NBA-teams van de Cleveland Caveliers en de Philadelphia 76ers.

Tom is altijd basketball blijven spelen op een hoog recreatief niveau. Afgelopen zomer won hij met zijn team een gouden medaille op World Masters Games in de 65+ divisie.

Sinds kort is hij met pensioen en geniet volop van het leven en zijn gezin.

His childhood in Schenectady

In many ways, I had a very idyllic childhood.  America, in the 1950′s and early 60′s, was a wonderful place to grow up. My father was an engineer at General Electric, which was headquartered in Schenectady at the time, and my mother stayed at home to raise my two brothers and me.  My parents were very big on education, so my getting good grades in school was very important to them.  I was always into sports, starting with baseball, which I played almost every day from about age 6 to 13.

Early basketball experiences and coach Walt Przybylo

My first significant exposure to basketball came when I was about ten years old, when I attended a summer sports school.  It was run by Walt Pryzbylo, who was the basketball coach at Linton High school, which consistently turned out the best teams in the area.  While I played a lot of sports that summer, I was greatly influenced by Coach Pryzbylo’s love of basketball, and the goal of someday playing for Coach Pryzbylo at Linton began to form in my mind.  A few years later, when I got to junior high school (grades 7-9); basketball was the only sport with a school team, so I started to concentrate on basketball exclusively.

Linton High School

Linton had been a real high school basketball powerhouse for many years before I got there, turning out such players as Barry Kramer, who was an All American at New York University, and later a first round draft choice who played in the NBA.  When I was in 10th grade, the star of our team was Pat Riley, who went on to be a great college player at Kentucky, and had a long career as a player in the NBA.  His real fame, of course, came as the coach of the Lakers and the Knicks, and now as the president of the Miami Heat.

I was a bit of a late bloomer, and it wasn’t until my senior year that I became a starter and a significant contributor to the team.

Princeton University… The legendary coaches Butch von Breda Kolff and Pete Carril …  Winning two Ivy League titles … The Tigers team of 1966-67 was ranked as high as third in the country.

My sophomore year, we had an incredible team Afbeelding

When I was deciding on where to go to college, Bill Bradley was finishing his spectacular career at Princeton, which is considered one of the most prestigious universities in America.  Since I wanted to go to a school with both a strong academic environment and a big-time basketball program, Princeton was a natural choice.

My sophomore year, we had an incredible team, that won many games by wide margins.  The team was mostly made up of seniors who had played with Bradley two years earlier, so I did not get much playing time.  At the end of the year, our coach, Butch Van Breda Kolff (of Dutch ancestry, by the way), was hired to coach the Los Angeles Lakers.  At the time, it was very unusual for a college coach to move to the NBA, especially to such a high profile team as the Lakers, who were led by Wilt Chamberlain, Elgin Baylor, and Jerry West.

Our new coach for my junior year was Pete Carril, a short, intense, no-nonsense guy from the coal mining region of Pennsylvania.  He inherited a team that was loaded with talent, including two players, Geoff Petrie and John Hummer, who went on to be first-round NBA draft picks.  Again, I didn’t start until my senior year, and because we had so many great scorers on the team, my job was to focus on defense and rebounding.  I think my best games were a couple of 22 point, 13 rebound efforts against Harvard.

My favorite memory from that time is playing in the Holiday Festival in Madison Square Garden in New York, which was then, as now, the mecca of American basketball.  We played against both U.C.L.A., the number one team in the country, and North Carolina, who was ranked number two.  We lost both games, but for a college basketball player it doesn’t get any better than playing in front of 20,000 fans in Madison Square Garden.  The star of the U.C.L.A. team was 7’1″ Lew Alcindor, who later changed his name to Kareem Abdul-Jabbar.

A pro try-out with the ABA’s Texas Chaparrals (became later the San Antonio Spurs)

I was not drafted by either the NBA or the ABA, but I wanted to give pro basketball a try, so I wrote to every team in both leagues, requesting a try-out.  The only team to respond was the Texas Chaparrals, who invited me to their rookie camp.  I was one of about 40 guys there, all of whom were pretty good players, including several of their top draft choices.  The rookie camp took place in late summer in Dallas, where the temperatures in the gym (before air conditioning) were well over 100 degrees.  At the end of the week-long rookie camp, I was one of the few players who were invited back to the Chaparrals real training camp, where we were joined by the guys who were actually on the team.

I got a chance to play in several pre-season games, which was a real thrill, and I got to experience up close just how good so many of these players were.  When the team got down to 13 players, it looked like it was between me and another guy for the last spot on the 12-man roster, but it turned out they traded for a big name player and cut us both.  While I was naturally disappointed, I was realistic enough to know that at the time I probably wasn’t good enough to play a major role on the team.

Europe ….

In the summer of 1969, I was invited by the Italian team Ignis Varese to play with them in a series of summer tournaments.  Ignis was one of the very best teams, not only in Italy, but in all of Europe.  At the time, the Italian League allowed teams to have only one foreign player for league games, but they were allowed two foreigners for European Cup games, which Ignis had qualified to play for in the upcoming season.  One of the teams we played against in a few of the tournaments was Gillette, which was coached by Jim McGregor and made up of a bunch of former American college players.  When I finished playing with Ignis, I was asked to play with the Gillette team in some more tournaments, which I was happy to do.

At the end of the summer of 1969, I went back to America in time to attend the Woodstock music festival, which was quite the experience.  Amazingly, my picture appears very clearly on the crowd shot picture on the both the Woodstock movie poster and the European edition of the original record album cover.

After finishing college, I came back to Europe in both the summers of 1970 and 1971 to play again with Gillette against some of the best teams in Europe, including the national teams of Russia, Yugoslavia, and Italy.  As the 1971 summer tour was winding down, I was told that the Fiat Stars team in the Netherlands was interested in my playing with them, so I went to Amsterdam to check it out.

Holland, Amsterdam and Fiat Stars

The canals, the buildings, the food, and the people — it was all magical to me

The first thing I did when I arrived in Holland was to go to Vondel Park, which was right behind the hostel that I was staying in.  It was full of music and young people from all over the world, and I knew immediately that Amsterdam and Holland were very special places.

With Amsterdam, it was love at first sight.  The canals, the buildings, the food, and the people — it was all magical to me. Now part of Afbeeldingthat was because it was late summer in 1971, when the sun was shining every day, and Amsterdam was filled with young people from all over the world.  After I signed my contract, I went back to the States for a few weeks to see my family and pack.  When I got back to Amsterdam, it was late September, and both the sun and most of the young people were gone.  The party, it seemed, was over, and it was time to get down to my job of playing basketball.

The weather in the winter was very difficult to get used to.  It seemed to be gray and drizzling every day, which tended to affect everybody’s mood.  I remember that whenever there would be a rare sunny day, people would go around with smiles on their faces and saying “hello” to one another, and it made everything better.

The Fiat Stars, at the time, had several very good veteran players, in Ton Boot, who was our captain, and Cees Smit, who was a terrific shooter.  We also had some other good players in Bernard van der Molen, Vespa Emanuelson, and Gerrit van Buuren.  But clearly, the two Americans, Mike Rowland and myself, were expected to carry the bulk of the scoring load.  There were three or four other teams which had some high quality players, but our main rival was Levi’s from Haarlem, who we challenged for the league championship in both years I played in Holland.

I was very disappointed that we couldn’t get by Levi’s and win the league championship.  Our games with them were always very close and hotly contested, and realistically, they probably had a bit more talent than we did.  Not only did they have two solid American players in Bill More and Gerhard Schreur, but they had a steady veteran in Frank Kales, and two very good big men, in the young Kees Akerboom and Harry Kip.

I enjoyed the competitiveness of the Dutch league games, especially against the really good teams like Levi’s, Raak Punch, and Rotterdam.  I liked the food, in particular the chinese-indonesian restaurants.  Nobody in the United States knows how to make a good loempia, let alone a riijstaffel.  And I liked the friendliness of the Dutch people, who are a lot calmer and more comfortable with their lives than many people in America.  At one point, I even considered buying a houseboat and living part of the year in Amsterdam, but I ultimately decided against it.

Scored once 50 points against Donar Groningen

Actually, I was almost embarrassed to score 50 points that night.  We were a far superior team, and I was able to get a lot of easy baskets that kept mounting up.. The only other time in my life where I scored fifty points was against the British National team, where we needed every one of those points to win the game

I spent a few days in Amsterdam about five years ago, and had a very nice dinner with Ton Boot and his wife Jenny. Although he was not a teammate, I also ran into Kees Akerboom at the World Masters’ Games  in Turin this past summer.

Nickname

I was always a very aggressive player, and my nickname with some fans and in the press became “The Beast.”    While I never particularly liked the nickname, I guess I could have been called a lot worse things.

March ’73 decided to leave Holland

I played with the Gillette team every summer from 1969 to 1974, traveling around Europe and playing four or five games a week.  In Afbeeldingthe summer of 1973 I received an offer to play with the team in Nice, France, which seemed like a new challenge and a very interesting place to play.  It was also appealing because I had studied French in school, and would have a chance to use the language everyday and learn to speak it better.  When I was in Amsterdam, I actually took a course to learn Dutch, but whenever I would speak to someone, they would immediately notice my accent and reply in English, “Oh, you’re an American.”  So I never got a chance to practice my Dutch.

In December’73  Gerard de Lange Christmas tournament

Yes, it was great to be back in Holland, and to play in a very competitive tournament.  I had to drive almost non-stop from Nice to get there in time, and got to the arena just a few minutes before the first game started.  As I recall, we played against Ignis Varese in the final, and I was matched up against Dino Meneghin, who was considered one of the best players in Europe at that time.  If you can find an article or box score of that game, I’d love to see it.

Nice and Mike Rowland

Our Nice team had a very good year, winning the championship of our league.  I talked with the team about coming back for another year, but since I knew I wasn’t going to play basketball forever, I decided to go back to the States to begin a “real” job and begin my post-basketball career.

I didn’t have much contact with Mike that year, but we’ve gotten in touch with each other from time to time over the years, and we each came back to Holland in January, 1983, for a ten year reunion game between Fiat Stars and Levi’s.

Back to the States

Vice president and general manager of SportsChannel NY (now FOX Sports), president and chief operating officer of the Cleveland Cavaliers and chief operating officer of the Philadelphia 76ers.

Certainly my professional playing career was over then, but I have continued to play basketball recreationally at a high level ever since.  Even now, at 65, I  still play full-court basketball twice a week , as well as another two or three days of tennis.  This past summer, I played with an American team that won the gold medal in the 65+ division of the World Masters’ Games, that was played over an eight day period in Turin, Italy.

My jobs for my first ten years back in the States had nothing to do with sports.  I worked in marketing for several major consumer products companies, like Procter & Gamble.  In 1983, I got the chance to go to work in the emerging cable TV industry, for a company named SportsChannel, which was in the business of creating regional sports networks in major cities around the United States.  It got me back into the sports world again, and I then got the further opportunity to serve as the President of the NBA Cleveland Cavaliers from 1990-1995.  We had great teams during that period, led by such players as Mark Price, Brad Daugherty, and Larry Nance, but every year we would lose in the playoffs to Michael Jordan and the Chicago Bulls.

In 1994, we completed building a state-of-the-art arena in downtown Cleveland for the Cavs to play in, which was a exciting project that did a lot for the city of Cleveland.  I was subsequently asked by the owner of the Philadelphia 76ers to become chief operating officer of that team, which I did for a year, but then he surprised me by selling the team, and my time as an executive in the NBA came to an end.

AfbeeldingTom Chestnut today …..

Life has treated me very kindly.  I recently retired after serving as CEO and president of AAA Western and Central New York, which is a company in the road service, travel, and insurance businesses, I currently am doing a lot of traveling all over the world.  My new goal is to travel to 100 countries by time I’m 75.  Over Christmas this year, my wife Laura and my two daughters, Whitney, who’s 27 and Taylor, who’s 25, will be taking a trip to Thailand, Cambodia, and Viet Nam, which will put me at 65 countries visited.  So I’ve still got a long way to go.

Frans de Haan, beste Nederlandse guard in de jaren zestig

In deze Flashback een portret van  Frans de Haan. Wie is deze Frans de Haan? Hij is geboren op 18 september 1938 in Amsterdam, verhuisde op 21-jarige leeftijd naar Rotterdam, verliet twee jaar later The Wolves om voor het Rotterdamse The Arrows te gaan spelen, hield dat één jaar vol (“Het was een ontzettend leuk jaar”), waarna hij terugkeerde bij The Wolves. Hij stopte toen een tijdje en meldde zich vervolgens aan bij het Delftse Punch, waar hij zijn carriëre ook afsloot. Samen met Jan Driehuis was hij de beste point guard van Nederland in de jaren zestig van de vorige eeuw. Bij elkaar speelde Frans de Haan zestien jaar op het hoogste niveau.

20131031-frans-de-haan-1967-300x300

Met een bolhoed en een paraplu. Zó leeft de herinnering voort aan Frans de Haan. Een buitenbeentje in de vaderlandse basketballwereld, een maatschappelijk welgestelde, die een grootmeester was in het bespelen van de tegenstander en publiek.

Buitenbeentje in basketball

Frans de Haan studeerde in Rotterdam bedrijfssociologie, was wetenschappelijk medewerker aan de Interfaculteit bedrijfskunde en directeur van Manritta BV. Frans de Haan trouwde met een dochter van Goudriaan en werd vader van drie kinderen. Hij draagt de titel ‘doctorandus’, maar dat zei hem verder niets en leefde een druk bezet leven. Frans vertoefde veelvuldig in het buitenland. Hij was bestuurslid van de Vereniging voor Wetenschappelijk Onderzoek Sport en Lichamelijke Opvoeding.

Zijn eerste wankele schreden op het basketballpad zette Frans de Haan, als menig Amsterdamse basketballer, op het Museumplein. Waar de gemeente toendertijd een batterij baskets had neergezet. Hij sloot zich aan bij het roemruchte The Wolves en werd met deze club vier keer kampioen van Nederland. In Rotterdam speelde hij daarna in het eveneens befaamde (maar dan niet om het behalen van titels, maar meer om de ongedwongen sfeer) The Arrows. Toch voelde hij zich daar niet zo thuis en het daarop volgende seizoen sloot hij zich dan ook maar weer aan bij zijn oude Amsterdamse vereniging. Punch in Delft vormde de laatste pleisterplaats. Frans de Haan was er de man niet naar zijn glanzende basketballcarrière als een nachtkaars te laten uitgaan.  Liefst 70 keer is hij voor het Nederlands team uitgekomen, heeft Nederland op een aantal Europese toernooien vertegenwoordigd en werd vijf keer nationaal kampioen.

the wolves Kamp. 1957 DeHaan 5e van links

Aan het jaar bij The Arrows in Rotterdam bewaart Frans de Haan de prettigste herinneringen. Glimlachend: “Er waren toen de eerste sporen van het professionalisme te bespeuren. Op onze manier werd er aan commercie gedaan, via onkostenvergoedingen. Dat was voor die tijd zeer progressief. Na een paar maanden zijn we er in gezamenlijk overleg vanaf gestapt. Het was een erg gezellig jaar. Ik was de benjamin van de ploeg en de anderen wisten goed de weg naar de gezellige tentjes in Rotterdam. We hebben wat afgelachen.”

Frans de Haan stopte een jaar met basketballen toen zijn maatschappelijke carrière te veel tijd ging opeisen. “Maar ik merkte dat het te zeer een stuk van mijn leven was geworden en toen Punch me vroeg te komen spelen, heb ik ja gezegd”.

Nederlands team

Het is onvermijdelijk niet te praten over de wedstrijden in het Nederlands team. Egon Steuer is in zijn ogen een bekwame coach, maar toch denkt hij ietwat wrang terug aan zijn slotperiode in het Nederlands team en de plotselinge afschrijving voor de nationale selectie na het Europees kampioenschap in Helsinki. Steuer wilde verjongen en de geroutineerde Jan Bruin en Frans de Haan kregen een, overigens keurig, briefje waarin zij bedankt werden voor hetgeen zij voor het basketball gedaan hadden. Maar de voorronden in Haarlem liepen niet zo voorspoedig voor Steuer en zijn pupillen. De Haan is van mening, dat het Nederlands team juist gebrek had aan routiniers. “Die verjonging is mijns inziens niet goed doorgevoerd. En de leeftijd, ik was toen 28, vond ik maar een matig excuus.”

Met een bolhoed en een paraplu

Met een bolhoed en een paraplu, zo trad Frans de Haan aan voor de sluitingsceremonie van het Europees kampioenschap te Helsinki in 1967. Hij haalde hiermee de voorpagina’s van alle Finse kranten.

Frans de Haan had steeds het voorgevoel dat dit EK (na Belgrado en Wroclaw) zijn laatste zou zijn. Hij wilde van die gelegenheid graag gebruik maken zijn ongenoegen te tonen van het zijns inziens ‘abnormale’, dat internationale evenementen plachten te omlijsten.

frans de haan1

Oranje was als laatste geëindigd en marcheerde derhalve als eerste bij het officiële slot de hal binnen. Helemaal achteraan Frans de Haan (“Ik was met mijn 1.80 meter altijd de laatste”), getooid met een bolhoed en paraplu, die hij van een vriendelijke Finse official had gekregen. Een speelse noot, volgens Frans de Haan, en iedereen vond het schitterend. “De toenmalige voorzitter  van de NBB, Piet Storm, is ontzettend boos geworden. Maar hij is later bijgedraaid. Toen ik tijdens het gezamenlijke banket van alle kanten complimenten en klappen op mijn schouders kreeg, koos hij eieren voor zijn geld. Hij heeft daarom niets gezegd. Kennelijk zag hij in dat het geen kwaad kon, wat ik had gedaan. We moeten zo’n ceremonie relativeren, we weten dat er naast sport nog zo veel andere, belangrijkere dingen bestaan. Er worden waarden aan normen gekoppeld, die de sportman nooit bedoeld heeft. Ik heb die hele vertoning willen ont-mythologiseren, het willen terugbrengen tot het normale. Met die bolhoed en die paraplu heb ik er een humoristische tint aan gegeven.”

Frans de Haan deed graag dingen die afweken van wat men ‘de normale gang van zaken’ noemt. Hij hield wel van gekke dingen. Vooral bij basketball geldt, dat je direct contact met je publiek hebt. Dat publiek bespeel je min of meer. Als je van alles doet om niet op te vallen reageert niemand. Het publiek is in feite niet eerlijk. Het waardeert goede prestaties niet. “Ik hield ervan de mensen te beïnvloeden. Je kan dat op diverse manieren doen, bijvoorbeeld door te klappen bij een eigen strafworp, het maken van gebaren, het kijken in een bepaalde richting, je manier van lopen, het gooien van de bal met een bepaald effect, enzovoort. Er zijn ook honderd manieren om de tegenpartij en de scheidsrechter een bepaalde kant op te krijgen. Je moet altijd dingen doen, die indruk maken op de tegenpartij of die jezelf vertrouwen geven.

Anekdotes

“Tijdens het Europese kampioenschap in Polen speelden we om de laatste plaats tegen Turkije. Onze coach was Jan Janbroers en in zijn ogen hadden we ons de avond tevoren niet helemaal gedragen zoals het sportlieden betaamt. We waren doorgezakt, zogezegd. Ha, ha.”

“We waren verbannen naar een of ander obscuur gymnastiekzaaltje en die Turken speelden, alsof ze per punt betaald werden. Ze hadden gewoon bloeddoorlopen ogen. Dat hadden wij ook, maar dat had een andere oorzaak, hahaha. Op een gegeven moment dribbelde ik met de bal naar voren – zo goed als zo kwaad het ging – maar die bal ging vreemd genoeg steeds lager. Janbroers werd des duivels, toen ik naar hem riep dat die bal niet goed was. „Doorspelen, doorspelen” riep hij. Maar ik dribbelde maar terug – dat mocht toen nog – en toen bleek dat de bal zo lek was als een mandje. Dat had ik nog nooit meegemaakt.”

Het is Frans de Haan ook eens overkomen dat hij in de Amsterdamse Apollohal door de vloer zakte: “Een plank begaf het en daar ging ik.” En hij heeft het meegemaakt, dat in dezelfde hal een wedstrijd moest worden afgelast … omdat er ijs op de vloer lag. “Het dak lekte en het was zo koud, dat het water op de vloer bevroor. Ja, dat was wel een vreemde gewaarwording.”

De psychologische ‘oorlogsvoering’ was min of meer De Haans stokpaardje. “Bij Punch”, vertelt hij, “was het een cultus geworden om er zo slordig mogelijk uit te zien. We speelden een keer in Luxemburg  tegen de kampioen van België en toen zagen we er zo onmogelijk uit, dat het publiek begon te fluiten. Het dacht eerst dat de ballenjongens het veld opkwamen. Het was ook geen vertoning. De een had een shirtje aan, dat een half jaar niet gewassen was, de ander speelde met twee verschillend gekleurde sokken, enzovoort. Zo traden wij het liefst aan. Je strooide er je tegenstander zand mee in de ogen.”

Frans de Haan benadrukt dat hij nimmer heeft geprobeerd onsportief te zijn. “Het is altijd mijn bedoeling geweest spelers zodanig te beïnvloeden, dat ze alleen tijdens de wedstrijd zichzelf niet meer waren. Na afloop was voor mij alles voorbij. Praten deed ik ook veel,  ja. Maar nooit vloeken of opmerkingen, die iemand belachelijk maakten. Soms was één blik genoeg. De bedoeling was iemand iets mee te geven om over na te denken, dat hij met iets anders bezig was dan met de gedachte die bal erin te gooien.”

“Bij mij heeft altijd alles in dienst van het winnen gestaan. Ik wilde altijd nummer één worden. Als je dat niet hebt, kun je beter gaan trimmen of aan muziek gaan doen. Misschien is de indruk gewekt, dat ik tijdens wedstrijden meer met bijzaken bezig was dan met de hoofdzaak – de sport -, maar dat is toch niet zo. Ik was altijd voor 99 procent met mezelf bezig en voor één procent met anderen. En dat gebeurde zelfs lang niet altijd bewust.”

Volgens oud-teamgenoten was Frans een fanatiek baasje, die nooit iets half deed. Hij was een slechte verliezer, in de goede zin van het woord.

Frans de Haan was een playmaker en noemt zelf als zijn meest kenmerkende eigenschappen: “Ik was fanatiek, agressief, ik had de wil om te winnen en ik speelde in dienst van het team.” Hij was een lastige jongen voor een coach, omdat hij er een vreselijke hekel aan had als – in zijn ogen – het spelen van een systeem belangrijker werd dan het maken van punten. “Ik week graag van de regels af”, zegt Frans de Haan. “Ik was moeilijk te binden.”

Niet alledaags voor een basketballer in die jaren was het feit, dat Frans de Haan speelde met een tandenbeschermer. Dat kwam zo: “Mijn gezicht was op ideale hoogte voor de ellebogen van de tegenstanders. Onder de basket geldt: ‘Keep your elbows up’ en zo liep ik steeds tegen de ellebogen van die lange kerels op. Het heeft me heel wat hoge tandartsrekeningen opgeleverd. Oud teamgenoten en tegenstanders: “Met die mondbeschermer was in ieder geval het praten afgelopen. Hij moest dat ding eerst uitdoen voor hij iets kon zeggen.”

Golf

Golf noemt Frans de Haan net zo’n interessante, leuke, mooie, moeilijke en veeleisende sport als basketball. De Haan: “Golf is een volwaardige sport, waarin je wel degelijk je emoties kwijt kunt. Je bent van negen tot vijf praktisch constant in touw. Het vergt fysiek dan ook veel van je. Je hebt een ongelooflijke durf, groot zelfvertrouwen, concentratievermogen, timing en balgevoel nodig. Ja, het beïnvloeden van je tegenstander speelt ook bij golf enorm. Het gebeurt alleen subtieler. Ik zou zeggen dat het er bij golf wat gepolijster aan toegaat. Het eigenaardige is dat je je eigen scheidsrechter bent. Dat je de kleinste fout zelf recht moet zetten. Je kunt je nooit afreageren op je tegenstander.

Frans de Haan is een uitstekend golfer. Hij werd onder andere in 1972 en 1973 kampioen van Nederland. In 1981 was De Haan medeoprichter van Orange All Stars, een vereniging van golfspelende Nederlandse oud-internationals waarvan hij vanaf de oprichting tot 2008 voorzitter geweest is. Onder de leden zijn sporters uit bijna twintig takken van sport. Enkele keren per jaar treffen zij elkaar op een golfbaan of een cricketveld.

Terugblik

Als Frans de Haan namen zou moeten noemen van Nederlandse spelers die door hem frans de haanhet meest bewonderd werden, komt hij tot het volgende kwartet: Kees Smit (“Die had een geweldige wil om te winnen”), Ton Boot (“Dodelijk zeker van zichzelf”), Jan Bruin (“Iemand die het maximum wist te halen uit zijn capaciteiten”) en Frank Kales (“Mijn grootste tegenstander van Flamingo’s, voor wie ik veel respect heb”).

“Ik heb het lang aan de top uitgehouden. Dat komt omdat ik er altijd de betrekkelijkheid van heb ingezien. Je moet je voortdurend bezinnen op waar je mee bezig bent. De weg naar volwassenheid is voor een sportman moeilijker dan voor een niet-sportman, omdat je lange tijd in een bepaalde schijnwereld leeft en daar succes in hebt. Het is fout de oude tijd te idealiseren,  je moet je op andere gebieden richten. Voor mij waren dat mijn werk, mijn gezin en golf.

Vandaag de dag woont de 75-jarige Frans de Haan in een mooi ‘stulpje’ in Noordwijkerhout. Hij kijkt met intens plezier terug op zijn basketball-loopbaan.

Bronnen: Het Vrije Volk, De Waarheid en De Telegraaf

Foto’s: Archief Jacob Bergsma